Traditiegetrouw bezoekt ieder jaar een afgevaardigde van het KNHG-bureau het jaarcongres van de American Historical Society (AHA), om de banden met onze Amerikaanse zusterorganisatie aan te halen en kennis uit te wisselen. Dit jaar was het voor het eerst mijn beurt om af te reizen naar Chicago, waar de editie van 2026 plaatsvond.

Tijdens het congres was de statige Boulevard Room van het Hilton nog in kerstsfeer.
Hoewel bepaalde aspecten van het congres veel op de Historicidagen van het KNHG lijken, zijn er ook grote verschillen. Ten eerste is de schaal van het evenement uiteraard heel anders. De AHA is de grootste geschiedkundige beroepsvereniging ter wereld, en het AHA-congres is dan ook de grootste bijeenkomst van historici van het jaar. Dit jaar waren er zo’n 3.500 aanwezigen. De 350 verschillende sessies van het congres vonden plaats in twee hotels in het centrum van Chicago die met elkaar waren verbonden door een shuttleservice – niet met simpele lijnbussen, maar met heuse limo vans met geblindeerde ramen. In de raamloze en ook vaak wat zielloze conferentieruimtes van het Hilton en het Palmer House werden traditionele panels en roundtables, maar ook informelere workshops en meetups georganiseerd. De sfeervollere en met bladgoud en met rococokrullen bezette balzalen van beide hotels boden plaats aan chiquere delen van het programma, zoals de plenaire sessies, een toespraak door de voorzitter van de AHA, en een tergend lang durende prijsuitreiking. Ook was er een verbazingwekkende hoeveelheid recepties: op zaterdagavond waren er behalve de presidential reception ook aparte recepties voor LGBTQ+ historici, publiekshistorici, en zelfs ‘two year faculty’.

Lorraine Daston spreekt een kort dankwoord uit nadat haar een Award for Scholarly Distinction is toegekend tijdens de prijzenceremonie.
Naast het delen van onderzoeksresultaten is netwerken een van de belangrijkste pijlers van deze jaarlijkse bijeenkomst. Ikzelf kon als bureauredacteur van BMGN – Low Countries Historical Review bijvoorbeeld aanschuiven bij het redacteurenontbijt op de eerste ochtend van het congres. Onze collega’s van de American Historical Review en andere, voornamelijk Amerikaanse, tijdschriften waren zeer hartelijk. Het was erg stimulerend om met hen van gedachten te kunnen wisselen over het uitgeven van een academisch historisch tijdschrift en de uitdagingen waar we als redacteuren allemaal mee te maken hebben. Aangezien ik me zelf veel bezighoud met de recensierubriek van BMGN was het met name inspirerend om te horen hoe mijn collega Lauren Brand het met haar team klaarspeelt om ieder jaar meer dan zevenhonderd werken over de meest uiteenlopende historische onderwerpen door vakgenoten te laten recenseren.
Een belangrijk gespreksonderwerp, zowel tijdens het redacteurenontbijt als op het congres in het algemeen, was AI. De gemene deler van alle gesprekken en sessies die ik over dit onderwerp bijwoonde is dat historici nog niet zo goed weten hoe ze met deze nieuwe techniek om dienen te gaan. Tijdschriftredacteuren vroegen zich bijvoorbeeld af welke positie ze moeten innemen wanneer ze merken dat auteurs AI in hun artikelen hebben gebruikt – sommigen vinden het geen probleem als kunstmatige intelligentie is ingezet om teksten te vertalen of delen tekst te redigeren, terwijl anderen erop hamerden dat de auteur zelf altijd verantwoordelijk is voor wat die indient, terwijl het onmogelijk is om te achterhalen wat er precies met je onderzoeksresultaten gebeurt zodra je die in de black box van een AI-programma gooit. Een belangrijk, daarmee verbonden aspect van het omgaan met kunstmatige intelligentie dat veel vragen opriep, was hoe historici zich moeten opstellen tegenover grote bedrijven die onze onderzoeksresultaten gebruiken om hun modellen te trainen: niet alleen de al gepubliceerde artikelen, maar juist ook de nog niet eerder openbaar gemaakte tussentijdse verslagen die auteurs tijdens het onderzoeksproces met AI delen.
Ook in andere programmaonderdelen van het congres kwam het onderwerp AI geregeld ter sprake. In een sessie over carrièreperspectieven voor recent afgestudeerde historici was de angst en onzekerheid onder het publiek goed te voelen. Het traditionele verhaal dat geschiedenisstudenten te horen kregen was natuurlijk altijd dat zij als historici enorm goed zijn in het verwerken van grote hoeveelheden informatie en op basis daarvan goed leesbare teksten kunnen schrijven. Maar kan AI dat op den duur niet veel beter? Gelukkig was daar de (in mijn ogen) typisch Amerikaanse positieve kijk op problemen: iedere uitdaging is een kans. Zoals een van de panelleden benadrukte: zijn wij als historici doordat wij deze achtergrond hebben niet juist bij uitstek geschikt om met AI te werken? Wij zijn probleemoplossers en kritische denkers die alles in perspectief kunnen zien en goed zijn in het bepalen van de betrouwbaarheid van informatie, en daardoor juist enorm waardevol voor werkgevers in tijden van AI, betoogde hij.

Sfeerimpressie van de sessie ‘How to get Published in Latin American History’
Diezelfde strijdbare houding was ook te merken in discussies over het andere hete hangijzer van deze conferentie: het politieke klimaat in de VS, en bij uitbreiding ook in de rest van de wereld. In veel van de sessies stelden deelnemers zich de vraag hoe ze om moesten gaan met het wegvallen van subsidies, het schrappen van geschiedenisopleidingen, en aanvallen op zowel de uitkomsten van historisch onderzoek als op historici zelf. Doorheen de verschillende sessies die ik over deze thema’s bijwoonde, werden er ruwweg twee antwoorden gegeven. Aan de ene kant staat een groep die betoogt dat historici simpelweg het beste van de situatie moeten maken. Zo koos de voorzitter van de AHA, Ben Vinson III, in zijn presidential address duidelijk niet voor de frontale aanval en stelde hij een negenpuntenplan voor dat meer op langzame beïnvloeding van het systeem gericht was. Anderen in dit wat gematigdere kamp betoogden dat bedreigde geschiedenisdepartementen aan kleine universiteiten moeten inzetten op het invoeren van verplichte historisch georiënteerde bijvakken voor alle studenten aan deze instellingen, om zo het nut van geschiedenisonderzoek duidelijk te maken en nieuwe studenten voor de geschiedwetenschap warm te maken. Een enkeling betoogde zelfs dat vakgenoten moeten ophouden met het schrijven van geschiedenis op een manier die slechts de helft van het land aanspreekt, en dat ze politieke discussies over de genocide in Gaza maar beter zouden kunnen vermijden. Immers: ‘Being too loud can get your budgets cut’.

AHA-voorzitter Ben Vinson III tijdens zijn presidential address, getiteld ‘Reflections on Our Times’
De grote meerderheid van de congresgangers had echter een heel ander oordeel over de woelige wateren waarin de geschiedwetenschap terecht is gekomen. Dit bleek het duidelijkst in de sessie ‘Historians Under Fire’, een zogenaamde late-breaking-sessie die op het laatste moment aan het programma was toegevoegd. In het panel zaten zes historici die allemaal het slachtoffer waren geworden van smeer- en lastercampagnes, met grote gevolgen voor hen persoonlijk en hun carrières. Wat me in deze sessie enorm trof, was dat geen van de panelleden zich bij de aanvallen neerlegde. Een Zwarte historica die gedurende vijftien jaar verschillende keren online bedreigd en gedoxt is, zette bijvoorbeeld zelf een informeel veiligheidsnetwerk van collega’s en vrienden op, want ‘loving yourself means that you should not live in fear’. Een ander panellid werd ontslagen door de rector van zijn instelling nadat trollen met knip- en plakwerk een video van hem hadden geproduceerd waarin hij tot geweld leek op te roepen. Hij was echter lid van een vakbond en speelde het klaar een grote campagne op te zetten waardoor hij juist leerde dat er ook plezier te beleven valt aan het terugvechten tegen radicale krachten. In de afsluitende discussie benadrukten alle panelleden dat historici niet machteloos zijn, dat we ons moeten verenigen in vakbonden en beroepsverenigingen, en dat we zo een vuist kunnen maken tegen aanvallen door kwaadwillenden.
Deze discussies over de grote uitdagingen waar historici dezer dagen mee geconfronteerd worden toonden heel mooi de veerkracht van ons vak aan, maar vooral ook van historici zelf. Daarnaast werd me nog eens duidelijk hoe belangrijk het is om, juist in tijden van toenemende digitalisering en individualisering, fysiek bij elkaar te komen, naar elkaar te luisteren, en met elkaar in gesprek te gaan. Bovendien ben ik er na mijn bezoek aan Chicago nog meer van overtuigd dat het voor onze beroepsgroep, die ook in Nederland onder druk staat, van groot belang is om een sterke, slagvaardige beroepsvereniging als het KNHG te hebben.