In 1882 kocht Friedrich Nietzsche een typemachine. Friedrich zag niet zoveel meer — een paar jaar later zou hij praktisch blind zijn. Maar met de machine schreef hij als een razende. Zijn uitgever zou niet minder dan tien manuscripten ontvangen in de jaren die volgden. Nietzsches schrijven werd niet alleen maar meer, het werd ook anders. Aan een vriend schreef hij: "ons schrijfgerei werkt mee aan onze gedachten". Het staccato getik van de typemachine leverde ander denken op dan de lange halen van de pen.
Ook in de geschiedschrijving werken machines mee aan onze gedachten. Sterker nog, zonder machines geen geschiedenis. Tussen de historicus, de bron en het publiek staat een lange reeks aan kunstmatige intelligenties. We gebruiken archiefbomen om ons een weg te banen door stapels dozen. We vissen obscure nieuwsberichten naar boven met zoektermen. We bekijken bronnen met microfilmlezers en transcriptiesoftware. En als we onze bevindingen op papier zetten, gebruiken we voetnoten en spellingschecks. Machines ordenen en scheppen onze vondsten en gedachten. Ze vernauwen en verbreden onze blik. De onlangs overleden historicus Carlo Ginzburg sprak niet voor niets over het archief als een "machine om mee te denken".
AI is misschien wel de meest in het oog springende denkmachine van dit moment. En dat is eng. Want neemt die machine niet te veel van ons werk over? Is AI wel een echte historicus? Hoe begrijpelijk deze vragen ook zijn, ze zijn uiteindelijk irrelevant. Want de grens tussen machinale en niet-machinale geschiedschrijving is poreus. Elke stap in het historisch onderzoek is verweven met machines.
De echte vraag is: van wie zijn de machines? Wie bepaalt hun doel en vorm? De problemen beginnen pas als we de intellectuele productiemiddelen niet zelf controleren. Als parasitaire uitgevers geschiedschrijving ontoegankelijk maken. Als de staat bepaalt welke archieven openbaar zijn. En als de techbro's ons hun nutteloze speeltjes proberen te verkopen.
Dan is het zaak om gans het raderwerk stil te zetten. Om zelf machines te bouwen. Dat is niks nieuws. Al decennialang vinden historici manieren om te werken met de stem van het staatsapparaat in het archief. Om de stiltes te vinden tussen het lawaai van de Grote Mannen. En om met tegendraads lezen de koloniale macht te ontrafelen. In de afgelopen jaren startten historici open journals, publiceerden ze open data en maakten ze taalmodellen die van ons allemaal zijn: vrij beschikbaar voor wie wil.
Wie de techfascisten wil bestrijden, moet niet krampachtig zoeken naar een niet-machinale vorm van geschiedschrijving. Moet niet zwelgen in het idee dat ons beroep wel niet vervangen zal worden door de machines van de rijken. Nee, laten we solidair zijn met iedereen die door hen bedreigd wordt. Rage against the machine. Maar laten we ook notenapparaten, zoeksystemen en gemeenschapsarchieven maken. Geschiedenis schrijven. Met de pen en met de typemachines.
In 1882 kocht Friedrich Nietzsche een typemachine. Friedrich zag niet zoveel meer — een paar jaar later zou hij praktisch blind zijn. Maar met de machine schreef hij als een razende. Zijn uitgever zou niet minder dan tien manuscripten ontvangen in de jaren die volgden. Nietzsches schrijven werd niet alleen maar meer, het werd ook anders. Aan een vriend schreef hij: "ons schrijfgerei werkt mee aan onze gedachten". Het staccato getik van de typemachine leverde ander denken op dan de lange halen van de pen.
Ook in de geschiedschrijving werken machines mee aan onze gedachten. Sterker nog, zonder machines geen geschiedenis. Tussen de historicus, de bron en het publiek staat een lange reeks aan kunstmatige intelligenties. We gebruiken archiefbomen om ons een weg te banen door stapels dozen. We vissen obscure nieuwsberichten naar boven met zoektermen. We bekijken bronnen met microfilmlezers en transcriptiesoftware. En als we onze bevindingen op papier zetten, gebruiken we voetnoten en spellingschecks. Machines ordenen en scheppen onze vondsten en gedachten. Ze vernauwen en verbreden onze blik. De onlangs overleden historicus Carlo Ginzburg sprak niet voor niets over het archief als een "machine om mee te denken".
AI is misschien wel de meest in het oog springende denkmachine van dit moment. En dat is eng. Want neemt die machine niet te veel van ons werk over? Is AI wel een echte historicus? Hoe begrijpelijk deze vragen ook zijn, ze zijn uiteindelijk irrelevant. Want de grens tussen machinale en niet-machinale geschiedschrijving is poreus. Elke stap in het historisch onderzoek is verweven met machines.
De echte vraag is: van wie zijn de machines? Wie bepaalt hun doel en vorm? De problemen beginnen pas als we de intellectuele productiemiddelen niet zelf controleren. Als parasitaire uitgevers geschiedschrijving ontoegankelijk maken. Als de staat bepaalt welke archieven openbaar zijn. En als de techbro's ons hun nutteloze speeltjes proberen te verkopen.
Dan is het zaak om gans het raderwerk stil te zetten. Om zelf machines te bouwen. Dat is niks nieuws. Al decennialang vinden historici manieren om te werken met de stem van het staatsapparaat in het archief. Om de stiltes te vinden tussen het lawaai van de Grote Mannen. En om met tegendraads lezen de koloniale macht te ontrafelen. In de afgelopen jaren startten historici open journals, publiceerden ze open data en maakten ze taalmodellen die van ons allemaal zijn: vrij beschikbaar voor wie wil.
Wie de techfascisten wil bestrijden, moet niet krampachtig zoeken naar een niet-machinale vorm van geschiedschrijving. Moet niet zwelgen in het idee dat ons beroep wel niet vervangen zal worden door de machines van de rijken. Nee, laten we solidair zijn met iedereen die door hen bedreigd wordt. Rage against the machine. Maar laten we ook notenapparaten, zoeksystemen en gemeenschapsarchieven maken. Geschiedenis schrijven. Met de pen en met de typemachines.
Deze column is op 29 augustus 2026 door Ruben Ros voorgedragen tijdens het slotprogramma OVT ter plekke van de Historicidagen. Ruben Ros is postdoctoraal onderzoeker bij het Departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.