Dossier Eerste Generatiestudenten – Michelle Moonen

Michelle Moonen

‘Toen ik net begon met studeren had ik het gevoel dat iedereen het net iets beter begreep dan ik. Dat uitte zich vaak in hele kleine dingen. Medestudenten hadden bepaalde kennis over hoe het universiteitsleven in elkaar stak. Ze wisten bijvoorbeeld het verschil tussen studieverenigingen en studentenverenigingen, waarvan ik geen flauw benul had. Van commissies had ik nog nooit eerder gehoord.

In het begin dacht ik dat ik gewoon nog even moest wennen. Ik was immers net begonnen met studeren. Pas later begreep ik dat het niet alleen maar een kwestie van wennen was, maar dat ik sommige dingen gewoonweg niet wist. Ik heb ook samengewoond met studenten wiens ouders bij studentenverenigingen hebben gezeten. Toen viel eigenlijk pas het kwartje; ik heb behaalde dingen van huis uit gewoon nooit meegekregen.

Cultuurschok
Ik kom uit Limburg en ik leerde het Limburgs dialect eerder dan de Nederlandse taal. Dat laatste leerde ik pas in groep 1 toen ik 4 jaar oud was. Inmiddels spreek ik Algemeen Nederlands, maar toen ik net ging studeren waren er mensen die me vermeden omdat ze me niet verstonden. Dat heeft het wel moeilijker gemaakt om aansluiting te vinden. Ik heb vrienden die afgewezen zijn voor een kamer omdat ze een Limburgs accent hadden. Dat maakt het aangaan van een sociale connectie met anderen veel moeilijker. Er ontstaan hierdoor stigma’s. Dat heb ik ook bij de verkiezingen van vorig jaar terug zien komen. Er ontstond een soort anti-Limburgcampagne.

Tijdens mijn studententijd ben ik vaker met dergelijke verschillen geconfronteerd. Mijn huisgenoot kwam er vorig jaar bijvoorbeeld achter dat woonwagenkampen nog bestonden, terwijl ik daar zelf naast ben opgegroeid. Dat was voor ons beiden een vreemde realisatie. Ook kwam ik er in mijn eerste jaar van mijn studie pas achter wat een zegelring is. Daar had ik nog nooit van gehoord. Dat was blijkbaar een ding en daar wordt ook veel over gegrapt. Dat soort kleine dingen die voor andere mensen heel normaal waren, waren dat voor mij niet.

Bij mijn ouders thuis hadden wij een vast schema van wat we doordeweeks aten. Ik ontdekte verschillende keukens toen ik ging studeren. Ik had nog nooit van curry gehoord. Ik had tot dan één keer in mijn leven lasagne gegeten. Ik heb kennis gemaakt met nieuwe gerechten. Dat is positief en leuk, maar ik heb ook wel gezien dat als iemand aangeeft iets niet te kennen, dat mensen vaak verontwaardigd reageren. Dat kan pijn doen.

Zelf uitvogelen
Toen ik startte met studeren werd ik al vrij snel lid van een studentenvereniging. We hadden op een gegeven moment een ‘ouderdag’ en ik kan me herinneren dat ik ouders van medestudenten heel veel op elkaar vond lijken. Die ouders hadden het over hele andere dingen dan mijn ouders. Met mijn ouders had ik het voornamelijk over waarmee andere mensen (familie, vrienden en kennissen) op dat moment bezig waren. Als ik ouders van medestudenten met elkaar hoorde praten, dan ging dat eigenlijk altijd over actualiteiten of politieke zaken. Het ging over andere stof en daar moest ik aan wennen.

Mijn ouders hebben me altijd gesteund bij mijn studiekeuzes. Dit resulteerde soms wel in een reactie zoals ‘is goed’ in plaats van dat ik het echt met ze over die keuzes kon hebben. Ik heb soms de begeleiding van mijn ouders gemist bij vragen over de universiteit, wat je kan verwachten van andere mensen en van docenten. Het concept ‘student’ heb ik helemaal zelf uit moeten vogelen.

Inmiddels ben ik goed geland op de universiteit. Ik moest vooral mezelf accepteren en dat dit nou eenmaal de kennis was waarmee ik begon. Vervolgens heb ik mezelf hierop zoveel mogelijk aangepast. Als ik nu bij mijn ouders thuiskom, voel ik me soms minder thuis. Voor mijn familie is het studentenleven soms een abstract concept, waardoor ze niet altijd weten wat ik inhoudelijk doe. Ik heb ook wel vaker van familie te horen gekregen dat ik moeilijker praat dan ik eerst deed en dat ik een beetje ‘verrandstedelijkt’ ben.

Meer informatie en onderling begrip
Leren an sich was op de universiteit niet moeilijk voor me, maar het sociale aspect was dat wel. Als ik terugkijk op mijn start aan de universiteit denk ik dat het voor mij moeilijk was om basale informatie terug te vinden. Hoe werken colleges? Wat bedoelen ze met ‘voorbereid naar college komen’? Terugblikkend was er geen goede informatievoorziening.

Als je begint met studeren komt er zoveel op je af. Je weet niet waar je moet beginnen. Dat probeer ik nu binnen de opleiding te verbeteren. Ik houd me bezig met hoe we de universiteit overzichtelijker kunnen maken. Ik merk bij de eerste generatiestudenten die ik gesproken heb dat er vooral veel frustratie heerst. Ze worstelen met het gegeven dat ze onderdelen van de universiteit en het studentenleven niet begrijpen. Universiteiten zou ik daarom adviseren er niet van uit te gaan dat studenten weten waar ze aan toe zijn. Dat is extra werk, maar hiermee kun je veel winnen, bijvoorbeeld op het gebied van kansengelijkheid en onderling begrip.

Ik vind het belangrijk dat eerste generatiestudenten beseffen dat het niet vreemd is om iets niet te weten. Dat mag gewoon. Het is soms zelf oprechter en wijzer om te zeggen dat je het niet weet dan maar een beetje mee te knikken. Op het moment dat je mee-knikt, gaan mensen ervan uit dat je het weet. Ik vond het uiteindelijk ook fijn om erachter te komen dat ik niet de enige ben die het zo heeft ervaren. Er zijn meer eerste generatiestudenten dan je denkt. Er zijn meer mensen die het ook niet snappen.’

Opmerkingen

© KNHG 2024 Website: Code Clear