Wereldburgerschap. Wat moeten historici daarmee? Keynote Marjolein ’t Hart – Jaarcongres 2021

Op 12 november 2021 hield het KNHG zijn Jaarcongres getiteld Wereldburgerschap in beweging: in geschiedenis, erfgoed en onderwijs. Het congres werd gehouden in het Nationaal Archief in Den Haag. Hieronder vindt u de tekst van de eerste keynote-lezing van de dag, verzorgd door Marjolein ’t Hart (Huygens ING/Vrije Universiteit Amsterdam).

Marjolein ’t Hart

Er zijn websites waar je een paspoort als wereldburger kunt aanvragen. Je kan er mee naar Tanzania, Burkina Faso, Mauritanië, Ecuador, Zambia en Togo reizen, want die landen erkennen dit document.[1] Maar wereldburgerschap is niet iets wat je bezit. Het is eerder een voortdurend willen leren over andere samenlevingen, in de wetenschap dat je met hen deze wereld deelt en móet delen.[2] Een betere titel voor deze lezing zou wellicht kosmopolitisme zijn geweest. Deze term is niet ongebruikelijk in Nederland, maar bij debatten over geschiedenisonderwijs en erfgoedbeheer is hij niet zo in zwang. Daarom toch Wereldburgerschap.

Een wereldburger of kosmopoliet hoeft geen ‘globetrotter’ of ‘expat’ te zijn, iemand die precies de weg in een wereldstad weet te vinden. Wereldburgers kunnen blijven zitten waar ze zitten, maar staan wel open voor andere culturen. Ze gaan uit van het principe dat alle volken gelijkwaardig zijn, en zijn geïnteresseerd in de rijke mozaïek van tradities, waarden en normen die er op deze wereld bestaat. Je hoeft als wereldburger die andere tradities, waarden en normen niet goed te keuren, zolang je maar bereid bent om je te verdiepen in het waarom ervan.

Je hoeft als wereldburger ook niet je vaderlandsliefde, je patriottisme, op te geven. Cultuurfilosoof Kwame Anthony Appiah gebruikt de term rooted cosmopolitanism, om aan te geven dat je heel goed èn een wereldburger kan zijn èn geworteld in je eigen samenleving. [3] In feite zijn vrijwel alle kosmopolieten in meer of mindere mate rooted, dus op een of andere manier gebonden aan de plek of het land waar ze geboren en/of opgegroeid zijn, of aan het netwerk c.q. de gemeenschap waar zij zich in begeven, bijvoorbeeld door beroep, taal, religie, of familiale of etnische banden. Transnationale migratiegemeenschappen, bijvoorbeeld, zijn rooted.[4]

Het is volgens Appiah ook beslist niet verkeerd om trots te zijn op je roots, zolang je je wortels tenminste niet altijd automatisch als beter of superieur beschouwt.[5] Dit houdt niet meteen een cultuurrelativisme in. Het is van belang om in gesprek met ‘de ander’ te blijven, met name over welke waarden universeel horen te zijn en welke waarden typisch plaatselijk gebonden kunnen blijven. We hoeven het daarbij niet eens te worden.[6] Wel is het van belang dat de gedachtewisseling in stand blijft. Een te strakke logica tussen cultuur en nationale identiteit is daarbij een valkuil, omdat cultuur steeds in verandering is.[7] Historici beseffen meer dan anderen dat binnen één generatie de politieke cultuur kan omslaan. Kijk maar naar Weimar Duitsland of de razendsnelle opkomst van het trumpisme in de VS.

In deze lezing bespreek ik hoe we als historici het idee van wereldburgerschap kunnen bevorderen zonder het oog op de Nederlandse roots te verliezen. De term rooted cosmopolitanism is daarbij heel bruikbaar, en past bovendien goed bij de onderzoekspraktijk van global history waar ik de laatste decennia zelf veel mee doe. De global history stelt twee benaderingen centraal: het kijken naar de connecties tussen verschillende samenlevingen en het maken van wereldwijde vergelijkingen.[8]

De vraag is dus, hoe we als historici kunnen bijdragen aan een breder gedragen begrip van wereldburgerschap in de samenleving. In deze lezing zal ik kort ingaan op welke initiatieven er al op dit gebied bestaan, in het secundair onderwijs, de nieuwe canon, en erfgoedbeheer. Ik zal daarna wat suggesties aanreiken hoe we het misschien nóg beter kunnen doen. Maar eerst is het nodig om het toch nog steeds dominante nationale kader nader te beschouwen.

Het nationale kader is nog steeds dominant

Het denken over natiestaten als aparte hokjes blijft sterk.[9] Maar de opsplitsing van de wereld in natiestaten is een heel recent verschijnsel. Pas na de dekolonisatie in de tweede helft van de twintigste eeuw nam het aantal natiestaten sterk toe, van ongeveer 50 in 1945 tot meer dan 200 nu.[10] Veel mensen zijn nu opgegroeid met het idee dat een natiestaat een standaard politieke structuur is, maar als je met de geschiedenis bezig bent, zoals wij, dan zie je dat dat zeker niet zo is. Nederlanders denken bovendien dat ‘hun’ natiestaat eeuwenoud is, maar hun staat is in de loop van de eeuwen voortdurend veranderd. De Nederlandse Republiek was een federatie, en de praktijk van burgerschap was eerst alleen stedelijk. Met het verlies van het grote Indonesië en daarna Suriname werd Nederland echt Europees, ook al heeft het koninkrijk nog steeds gebieden in de Cariben. Vanaf de Franse Tijd bleef lange tijd een onderscheid bestaan tussen echte burgers en onderdanen, maar die categorieën waren niet altijd helder.[11] Waren de Surinaamse tot slaaf gemaakten in de achttiende eeuw ook Nederlandse onderdanen?[12] En hoe zat het met de status van de negentiende-eeuwse moslimkeuterboertjes op Java? Grenzen en noties over natie en burgerschap verschoven voortdurend, tot en met vandaag de dag. Tegenwoordig horen we vaak discussies over de spanning die er tussen het Nederlands en het Europees burgerschap bestaat, of over het verlenen van gedeelde burgerrechten aan migranten die hier al langer wonen. DE Nederlandse burger was nooit een eenduidige, homogene categorie, en dat zal ook niet veranderen.[13]

In 2020 vond er een onderzoek plaats hoeveel aandacht er voor wereldgeschiedenis was in de standaard lesmethodes geschiedenis. Op basis van de uitkomsten zou je kunnen concluderen dat het ‘wel goed’ zat. De Nederlandse geschiedenis besloeg gemiddeld slechts een kwart. Daarbij was het aandeel van Nederlandse stof op het vmbo iets hoger (30 procent) dan op de havo (25 procent) of vwo (20 procent). Alle lesmethodes gaven ook voldoende aandacht aan kolonialisme en de problematiek van de slavernij. Wel was het eurocentrisme nog vrij hoog, met gemiddeld 60 procent van de stof gewijd aan Nederland en West-Europa samen. De rest van de stof, 40 procent, behandelde Oost-Europa en de andere continenten.[14]

Natuurlijk valt er te discussiëren over of die 25 procent nu veel is of niet, maar het gaat er veeleer om hoé die stof de ‘wereld’ behandelt. Alleen al het feit dat een scheiding tussen Nederland, West-Europa en de rest van de wereld kan worden aangebracht, geeft aan dat de aanzet voor een meer geïntegreerde aanpak van de wereldgeschiedenis nog ver te zoeken is. Het is niet zo bevorderlijk om in de klas apart over de Nederlandse geschiedenis en apart over die van andere landen te praten. Het gaat er dus eigenlijk niet om of er meer of minder Nederlandse geschiedenis aan bod komt, maar of de Nederlandse geschiedenis in zinvol transnationaal verband wordt geplaatst.

Bovendien bleek het onderwerp van kolonialisme veelal vanuit een West-Europees perspectief beschreven. Volgens het bovenstaande rapport was er nog steeds behoorlijk wat aandacht voor de goede bedoelingen van de koloniserende landen. Wat dat betreft lijkt de klacht van Miguel Heilbron, een van de oprichters van The Black Archives en van onderwijsorganisatie Fawaka Wereldburgerschap, nog steeds terecht. In 2019 stelde hij:

‘Tot op de dag van vandaag blijven de canon, de tijdvakken en de lesboeken West-Europa en Nederland centraal stellen en de suggestie wekken dat ‘het Westen’ superieur is. Bijvoorbeeld door Grieken en Romeinen en niet Egyptenaren, Mesopotamiërs en anderen als ‘bakermat’ van de beschaving te beschrijven, verworvenheden van buiten Europa niet te benoemen en door ‘westerse’ landen te behandelen als referentiepunt.’[15]

Ook in de erfgoedsector overheerst een hokjesgeest met de verdeling in aparte natiestaten. Het beleid van de Unesco, die formeel namens de wereldgemeenschap optreedt, verdeelt kunst en archeologische vondsten naar lidstaat. In 1970 bepaalde deze dat staten onrechtmatige uitvoer van cultureel erfgoed moesten tegengaan. Dat was een stap die dringend nodig was om de illegale handel in museale objecten aan banden te leggen, maar de officiële formuleringen hadden als neveneffect claims te versterken op cultuurproducten die zich ooit op het nationale grondgebied bevonden.[16]

Zo horen we bij archeologische vondsten en kunstschatten van voormalige koloniale samenlevingen de roep om repatriëring. Dat kan in sommige gevallen zeker zinvol zijn, en de Nederlandse regering heeft daar onlangs ook een commissie voor ingesteld.[17] Het is voor elke samenleving immers goed om kennis te nemen van hun geschiedenis en om belangwekkende objecten van dichtbij te kunnen bekijken. Dat wil echter niet zeggen dat het object in kwestie ook meteen tot de cultuur van de eisende partij behoort. Deze is immers niet voor de hedendaagse natie gemaakt, en vaak ook niet door ‘een volk’, maar door een individu of een bepaalde groep mensen. Veel eisers veronderstellen dat zij de ‘natuurlijke erfgenamen’ zijn van cultuurproducten van mensen die vroeger in hetzelfde gebied woonden. Maar de makers hadden een meestal identiteit die niet de hele geschiedenis door constant is geweest. Niet zelden gaat het om een volk dat niet eens meer bestaat.[18]

Transnationale loyaliteiten, transnationaal burgerschap

Bovendien hebben in de geschiedenis voortdurend overlappingen bestaan tussen verschillende lokale en transnationale identiteiten. Het exclusieve ‘contract’ van het hedendaagse nationale burgerschap, waarbij een groep mensen een breed pakket aan rechten en plichten heeft tegenover het staatsgezag, terwijl de staat ook een breed pakket aan rechten en plichten ten opzichte van die groep heeft, [19] is vrij uitzonderlijk in historisch perspectief. In het feodalisme was men aan de lokale heer gebonden, maar (boven-)regionale loyaliteiten waren minstens zo belangrijk. In Frankrijk bleef in ieder geval tot aan het eind van de achttiende eeuw in de landen van de Pays d’ États een complexe gelaagdheid bestaan. Bretagne had zelfs zijn eigen parlement. In het Russische tsarenrijk vielen de horigen officieel onder het gezag van hun heer, zodat het centrale gezag slechts na toestemming van die heren eventueel horigen in het leger kon incorporeren.

In Europa kenden de steden vaak een apart burgerschap, maar die behoorden ook tot een vorstendom. De ‘gewone’ ingezetenen van zo’n stad beschikten over veel minder rechten dan de burgers. In de grote handelssteden genoten kooplieden van verschillende ‘naties’ bovendien een aparte status.[20] De Hanze was een voorbeeld van zo’n transnationaal netwerk van kooplieden.[21] Ook de Lombarden, vooral bekend door de cruciale bankfuncties die ze vervulden, onderhielden een vergelijkbaar transnationaal netwerk.

In de zeventiende-eeuwse Nederlandse Republiek claimden steden als Groningen, Nijmegen, Deventer, Kampen en Zwolle de status als ‘rijksstad’, oftewel behorend tot het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, dus vallend onder de wetgeving van de Duitse keizer. Dat zou weer bijzondere privileges met zich mee brengen. Die claim tekende de gecompliceerde transnationale structuur. Indirect had dit weer te maken met de erfenis van het Romeinse Rijk. Het Edict van Caracalla bood in 212 namelijk individuen of hele steden, die niet tot het Romeinse of Latijnse grondgebied hoorden, de mogelijkheid om Romeins burger te worden. In één klap gaven dertig miljoen mannen gevolg aan deze kans.[22] Er bleven wel verschillen bestaan. Zo was het Romeinse recht niet hetzelfde als het Latijnse recht, hadden vrouwen geen toegang tot die burgerrechten, en bleven lokale rechtstelsels ook in stand. Maar het gaf velen ineens de gelegenheid om een politieke functie te vervullen. Ook bevorderde het breed gedragen burgerschap het eenheidsgevoel onder de ‘Romeinen’. Deze structuren werkten nog door na de val van het Romeinse Rijk. Clovis, de eerste koning van de Franken, was Romeins burger door geboorte. De ideologie van de translatio imperii betekende dat Karel de Grote, en later dus ook dat Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie waar een stad als Deventer zich op beriep, voortzetters waren van dat Romeinse Rijk.[23]

Veel andere landen kenden ook een vorm van transnationaal burgerschap, of in ieder geval een sterke transnationale loyaliteit. Het Chinese rijk beschouwde Chinezen die zich elders vestigden als onderdanen. Die laatsten onderhielden vaak ook een goede band met China door een cultuur van voorouderverering. De transnationale identiteit is bijvoorbeeld ook heel sterk bij het hedendaagse Marokko: migranten uit dat land blijven het Marokkaans burgerschap behouden.

Soms noopten de omstandigheden tot nieuwe oplossingen. Het Britse koloniale rijk viel uiteen na de tweede wereldoorlog. Als reactie op het groeiende onafhankelijkheidstreven creëerde de Nationality Act van 1948 elkaar overlappende burgerschapsstatuten van Commonwealth Citizens (vooral voor Canada en Australië) en Citizens of the United Kingdom and its Colonies (vooral voor Afrika en de Cariben). Beide statuten gaven deze ‘burgers’ bijvoorbeeld het recht om zich op de Britse eilanden te vestigen. Deze landen bevoorrechtten elkaar in de handel en hielpen Groot Brittannië een economische wereldstatus te behouden, althans voor een aantal decennia.

Transnationaal bestonden niet alleen politieke netwerken, maar ook religieuze. In de zevende eeuw claimde het eerste islamitische kalifaat de overheersing over alle moslims, de umma. Al snel moesten de heersers van het kalifaat erkennen dat dit lastig in één territorium te beheren was: ook niet-moslims moesten een plaats hebben. Het Ottomaanse Rijk reguleerde dat in millets, zodat je én Ottomaan én christelijk kon zijn.[24] Afgezien van enkele kleinere gemeenschappen waren de grote drie millets de christenen, de joden en de Armenen, die alle drie een grote mate van autonomie bezaten en zichzelf bestuurden. De Ottomaanse band werkte ook op andere manieren door, en zo bleven veel Egyptenaren zich nog lang na de val van het Ottomaanse Rijk als Ottomaans burger beschouwen.

In Europa bevochten de wereldlijke en religieuze machten elkaar, met elkaar overlappende rechtsstelsels tot gevolg. De christelijke kerk onderhield al vanaf het vroege begin een sterk transnationaal netwerk. Dat hield in, dat waar je ook naar toe reisde als christen, dat je je overal bij een lokale parochie kon aansluiten. Daar was je ‘thuis’. Met de komst van de Reformatie werd dat lastiger, maar de internationale katholieke banden bleven in stand. Trouw aan de paus is ook nu nog een standaard gegeven in de katholieke wereldgemeenschap.

Niet alleen politieke en religieuze, maar ook etnische banden dwongen transnationale loyaliteiten af.[25] Dit is onder meer bij veel hedendaagse Afrikaanse conflicten te zien, maar ook bijvoorbeeld in de oorlogen op de Balkan van de jaren negentig. Etniciteit kon ook ongelijkheid binnen de structuur van het staatsburgerschap creëren. Zo is het niet echt bekend dat de Verenigde Staten pas in 1942 een wet uitvaardigden die inheemse indianen tot staatsburger maakte.

Een relatief nieuw transnationaal burgerschap is de Europese Unie. Sinds 1993 is iedere burger van een van de lidstaten automatisch ‘Europeaan’, en mag men kiezen voor het Europees parlement.[26] Dit burgerschap is echter vooralsnog sterk economisch ingekleurd, met nadruk op het recht van vrije beweging van kapitaal en arbeid, en met nog weinig transnationale sociale en politieke rechten.[27] Toch brengt dit een verschuiving in het begrip burgerschap bij de individuele lidstaten teweeg. Die staat ook onder discussie door het steeds vaker gehoorde concept van citizenship light, of thin citizenship.[28] Deze tendens wordt bevorderd door globalisering, vooral aangezwengeld door het beleid van internationaal toonaangevende global cities die graag migranten van diverse herkomst willen aantrekken om een zogenaamde creative city te zijn.[29] In die steden krijgen migranten bijvoorbeeld ook recht op huisvesting of kunnen ze stemmen bij lokale verkiezingen. Naturalisatie is niet meer de enige weg om burgerschap te krijgen. Een andere variant is het ‘puntenstelsel’, waarbij je steeds meer (lokale) politieke en sociale burgerrechten kan verkrijgen naarmate je langer ergens woont.

Wereldburgerschap bevorderen – wat werkt wel en wat kan beter

In 1996 schreef Frits Bolkestein: ‘Voor leerlingen slavernij en horigheid bestuderen, zullen ze toch eerst moeten weten wie eerder leefde; Floris V of Willem van Oranje.’[30] Gelukkig zijn we 25 jaar later een stuk verder. Geschiedenisonderwijs wordt steeds minder chronologisch aangepakt en vaker thematisch. De roep om minder eurocentrisch te zijn wordt door velen serieus genomen. Het feit dat wereldburgerschap hoog op de agenda staat is ook van groot belang. De SLO, het landelijk expertisecentrum voor het curriculum, geeft voorbeeldmaterialen om wereldburgerschap in de klas te bespreken.[31] Fawaka biedt op internet suggesties en informatiepakketten om op een structurele manier invulling te geven aan wereldburgerschapsonderwijs.[32] Via blogs delen verschillende docenten op internet hun suggesties voor methodes die goed werken, bijvoorbeeld om de winnende foto’s van Worldpress Photo in de klas te bespreken.[33]

Wat ik nog wel jammer vind, is dat de meeste voorbeelden recente discussies over de wereld bevatten. Het gaat vrijwel altijd om het begin van de eenentwintigste eeuw, of op zijn vroegst over het laatste kwart van de twintigste eeuw. Lang niet altijd is de link naar de Nederland, of naar de Nederlandse geschiedenis, evident. Zo blijft toch de natiestaat-hokjesgeest in stand: ‘de vorige les deden we Nederland, en vandaag doen we de wereld’. Ik denk toch dat leerlingen zich sneller betrokken kunnen voelen bij de wereld als duidelijker wordt wat de plaats van Nederland in die kwestie is.

Wat ik een goed initiatief vind, zijn de nieuwe titels voor de tien tijdvakken in het geschiedenisonderwijs, opgesteld door de Black Archives samen met Fawaka, daarbij geadviseerd door de Commissie Wereldgeschiedenis van de Vereniging van Docenten Geschiedenis en Staatsinrichting in Nederland (VGN). Zie de onderstaande poster, Tien tijdvakken opnieuw geformuleerd (2019).

Bijzonder bruikbaar voor het onderwijs lijken mij verder de sites van de Nederlandse Unesco-afdeling en die van Euroclio over bijvoorbeeld betwist erfgoed.[34]

Maar ook de herziene Nederlandse canon zou hier een goede rol kunnen spelen. Het is mooi dat het belang van transnationale connecties op de voorgrond komt in het rapport van de canoncommissie. De commissie pleit er voor om de vensters verder open te zetten, want: ‘Het internationale perspectief dat in vrijwel elk venster wordt aangestipt, biedt hiervoor ruime mogelijkheden’.[35] Hier is dus met andere woorden alle kans om rooted comsopolitanism te stimuleren.

En inderdaad, vergeleken met de eerste versie van de canon zijn er meer verwijzingen naar het wereldhistorische belang.[36] Tegelijkertijd zijn de vensters nog steeds vanuit een nationaal kader opgesteld en is er zo veel meer mogelijk. Kijken we bijvoorbeeld naar de Watersnood van 1953; daarbij staat al in het begin dat de Deltawerken internationaal grote bekendheid genieten. Maar dan komt er een punt. Het maakt een heel groot verschil als er een clip bij zit met de Wikipedia-pagina van de lijst van grootste overstromingen in de wereldgeschiedenis, waaruit dan blijkt dat de Nederlandse Watersnood van 1953 helemaal in het niet valt bij de buiten de oevers tredende Chinese rivieren, die niet zelden miljoenen mensen doodden.

De canoncommissie verwachtte misschien dat docenten zelf op het idee zouden komen om die transnationale aspecten op te zoeken, maar de nogal eng nationalistische invulling van de bijbehorende clips vind ik zorgwekkend. De canon is op zichzelf is natuurlijk een monsterlijk nationalistisch product, en heeft daarom extra tegengif nodig in de vorm van makkelijk bereikbare informatie voor docenten en leerlingen die op zoek zijn naar zinvolle wereldwijde connecties en vergelijkingen.

Een ander voorbeeld. Bij Anne Frank staat dat ze wereldberoemd is, heel mooi. Maar het is zinvoller iets te doen met genocides, door bijvoorbeeld te kijken naar de Armeense tragedie en die van de joden in de Tweede Wereldoorlog. Je kunt ook de vraag stellen: waarom bemoeit de Nederlandse regering zich met de kwestie of Turkije het Armeense drama genocide noemt of niet? Moet men hier misschien iets van het zware schuldgevoel wegpoetsen, dat Nederlanders niet voldoende hebben gedaan om de moord op de joden te verhinderen? De vergelijking is zeker interessant, want beide ontstonden in een tijdperk van kwaadaardige nationalistische framing. Opmerkelijk daarbij is dat Armenen eeuwenlang een beschermde status via hun millet hadden in het Ottomaanse Rijk, en dus een veel betere positie genoten dan de joden in Europa, waar regelmatige pogroms hen voortdurend bedreigden. Misschien is het dan ook zinvol om aandacht te schenken aan andere genocides waar Nederland bij betrokken was, en ik denk dan niet alleen aan het zeventiende-eeuwse Banda, maar ook aan de San in Zuidelijk Afrika aan het eind van de achttiende eeuw, waar Nederlandse kolonisten toestemming hadden om elke San -man, vrouw of kind – straffeloos te doden.[37]

Opvallend is dat de Geuzen in de canon nog steeds een heldenstatus hebben. Ja, ze waren inderdaad belangrijk voor het succes van de Opstand tegen Spanje, maar er zat wel heel veel gespuis onder… Het zou best interessant zijn om die Geuzen met IS te vergelijken: beide beroepen zich op een fundamentalistisch geloof, beide begingen gruweldaden tegen diegenen die geacht werden een ander geloof aan te hangen, beide creëerden een onafhankelijke staat, beide werden ondersteund door een internationaal netwerk van mede-gelovigen. Een groot deel van de watergeuzen bestond uit Engelse piraten. Het is niet voor niets dat Willem van Oranje zich zo snel mogelijk van deze ongeregelde troepen wilde ontdoen. Of die vergelijking hout snijdt of niet, laat ik aan jullie over, maar in ieder geval is dit goed materiaal voor een discussie in de klas.

Met de canon is dus zeker wat te doen, maar de stimulans om leerlingen bij te brengen dat de Nederlandse geschiedenis onlosmakelijk met die van de wereld verbonden is, kan veel en veel sterker. Hier is zeker ook een rol weggelegd voor academische historici, die met hun kennis gerichter belangwekkende transnationale aanvullingen zouden kunnen aanleveren.[38]

Afgezien van deze inhoudelijke aanvullingen zijn ook andere methodes vruchtbaar gebleken, die onder meer door de Commissie Wereldgeschiedenis van de VGN gepropageerd worden. Zoals: betrek de mogelijke wereldconnecties die de leerlingen al vanuit huis hebben erbij; vraag naar de familiegeschiedenis, of naar cruciale momenten in de geschiedenis van het land van herkomst, en ga op zoek naar connecties, overeenkomsten of verschillen. Benut de migratieachtergrond die er al is. De wereld zit immers al in de klas. Betrek ook de lokale omgeving erbij, waar zien we invloed van ‘de wereldgeschiedenis’? Zoek bijvoorbeeld op waar gebouwen in de stad staan die iets met de Hanze of slavernij te maken hebben, of kijk naar interessante architectuurprojecten met roots uit het buitenland. Het Paleis op de Dam is typisch een transnationaal product. Vraag vooral ook welke onderwerpen de leerlingen zelf interessant vinden. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld op het vmbo grote belangstelling te bestaan voor mode.[39] Daar is zeker iets te doen met de (Nederlandse) wereldgeschiedenis. Denk aan Vlisco, de wereldberoemde stoffenfabrikant in Helmond, die met imitatiebatik een grote markt in West-Afrika veroverde. Hoe kon dat zo gebeuren? Of laat leerlingen passages lezen uit het boek van Sven Beckert over de wereldgeschiedenis van katoen (en slavernij) en kijk waar deze wereldgeschiedenis banden met Nederland had.[40]

We zagen al dat de canonvensters over de Deltawerken en Anne Frank benadrukten dat deze wereldberoemd zijn. Deze tendens vindt zijn weerspiegeling in de erfgoedsector. Het werelderfgoedverdrag van 1972 heeft geresulteerd in een wereldwijde wedloop om bijzonder nationaal erfgoed op de werelderfgoedlijst te plaatsen. Op zich lijkt dit een lovenswaardig kosmopolitisch initiatief, maar de uitwerking vindt in een uiterst benauwend nationaal frame plaats.[41]De neiging bestaat om alleen het ‘eigene’ te benadrukken, het bijzondere. Maar het meeste erfgoed dat van wereldwijd belang is, is vaak juist geïnspireerd is door transnationale netwerken. Het is van belang voor een meer rooted cosmopolitanism-opvatting dat die wereldwijde connecties veel meer aandacht krijgen, zonder nu meteen een totale afbreuk te willen doen aan het ‘nationalistisch’ bijzondere.[42] Het een kan namelijk heel goed met het andere samengaan.

Het is bemoedigend dat de erfgoedsector met betrekking tot het koloniaal verleden steeds meer een ‘inclusievere’ benadering propageert. Het Rijksmuseum heeft onlangs een indrukwekkende tentoonstelling gemaakt die de tot slaaf gemaakten stem gaf.[43] Deze meerstemmigheid is ook mogelijk omdat we nu een periode ingaan waarin generaties die die periode zelf hebben meegemaakt langzamerhand verdwijnen.[44] Lokale historische stadswandelingen leggen steeds vaker een relatie met dat slavernijverleden.[45] De banden die specifieke steden met slavernij hadden worden nu onderzocht.[46]

Toch blijft het nationaal frame nog steeds dominant. Het gaat immers om het Nederlandse kolonialisme en de Nederlandse tot slaaf gemaakten. Te weinig nog is er ruimte voor bijvoorbeeld de geschiedenis van de koloniale samenleving zelf, buiten de Nederlandse invloed. Wat gebeurde er tijdens de Napoleontische periode, toen Groot Brittannië heer en meester was? Waarin verschilde dat koloniaal regime met dat van Nederland? Hoe gaat het hedendaagse Indonesië, of het hedendaagse Suriname, om met de nasleep van de slavernij? Met zulke vragen komt het wereldhistorische verband veel steviger in beeld. Een lovenswaardig initiatief is bijvoorbeeld het vergelijkende onderzoek naar het geweld in de dekolonisatieoorlogen van de Europese grootmachten, inclusief Nederland.[47]

Het belang van deze discussies is evident. In de debatten over betwiste of geroofde objecten in musea wordt steeds duidelijker dat de dekolonisatie nog lang geen afgerond proces is.[48] Deze is nog immers nog steeds gaande, zij het op ander vlak. Onderzoek dat verricht wordt bij kwesties voor mogelijke restitutie leveren nieuwe inzichten over de herkomst, over de achtergronden van de intermediairs en verzamelaars van toen, over de verschillende symboliek en betekenis die objecten voor verschillende landen kunnen hebben. Op die manier versterken die debatten, ondanks de oorspronkelijke nationalistische insteek, toch de internationale discussie en bevorderen daarmee kosmopolitisme.[49]De vraag kan zelfs worden gesteld: ‘Wat is waardevoller, een object bezitten of de ontmoeting’?[50] Appiah bepleit daarbij een transnationale aanpak, omdat verschillende landen hetzelfde object vanuit een heel ander perspectief hogelijk kunnen waarderen.[51] Voor hem hebben de instellingen die voorwerpen bewaren die van wereldhistorisch belang zijn, de dure plicht om te zorgen dat dat erfgoed goed toegankelijk is. Dat betekent minimaal een degelijke digitale ontsluiting, aangevuld met tijdelijke uitleenconstructies of reizende tentoonstellingen.[52]

Conclusie

Het nationale frame is nog steeds dominant, al zien we zeker bewegingen in een meer kosmopolitische richting. In het algemeen kunnen we in het geschiedenisonderwijs het wereldburgerschap nog meer bevorderen door wat vaker de diepte in te gaan, dat wil zeggen verder terug in de geschiedenis. Nu zijn nog veel ‘wereldburgerschapprojecten’ beperkt tot de periode vanaf de twintigste eeuw, terwijl wereldwijde connecties met Nederland er al veel eerder toe deden. We moeten ook vaker de breedte in; connecties of interessante paralellen of juist contrastrijke verschillen tussen de Nederlandse geschiedenis en samenlevingen elders zoeken. Dat hoeft echt niet in alle lessen. Het is heel bevorderlijk om met een zekere regelmaat zulke doorkijkjes naar ‘de wereld’ aan te bieden en te bespreken, en daarmee leerlingen verder te leren kijken en denken.

Deze aanbeveling geldt niet alleen voor het secundair onderwijs. Het idee dat het voor het lager onderwijs te ingewikkeld is om wereldgeschiedenis te behandelen, komt voort uit de veronderstelling dat die wereldgeschiedenis weer in een heel apart kader komt te staan. Ook in het lagere onderwijs kan je bijvoorbeeld laten vallen dat ‘wij’ de Tachtigjarige Oorlog alleen konden winnen omdat ‘we’ een coalitie hadden met het Ottomaanse Rijk. Zoiets kan ervoor zorgen dat leerlingen met een mediterrane of Turkse achtergrond zich misschien wat eerder betrokken voelen bij de geschiedenisles.[53] Ook het academische onderwijs wint aan kracht wanneer het zich ontdoet van te veel gespecialiseerd onderwijs dat zich slechts op één enkele natie richt, zonder daar de transnationale connecties bij te betrekken.

Een vergelijkbare aanbeveling geldt voor de erfgoedsector: de transnationale banden en vergelijkingen mogen sterker naar voren komen. Samen met het geschiedenisonderwijs is de presentatie van ‘typisch’ Nederlandse cultuurobjecten van veel invloed op de hedendaagse debatten over ‘onze’ nationale identiteit. Die identiteit is een constructie, en is op zich niet iets wat we moeten bestrijden, want identiteit geeft je het gevoel hoe je in deze wereld past.[54] Die verrijking kan volgens mij heel goed met bovenstaande suggesties vanuit het idee van een rooted cosmopolitanism, waarbij je trots kan zijn op je eigen achtergrond, maar ook beseft dat transnationale invloeden en connecties onmisbaar zijn geweest en dat ook altijd zullen blijven. Op die manier stimuleren we het gesprek tussen mensen met heel verschillende achtergronden over waarden die universeel horen te zijn en over de inrichting van de toekomst die we samen moeten delen.

Marjolein ’t Hart is senior onderzoeker bij Huygens ING en bijzonder hoogleraar Geschiedenis en Staatsvorming in Mondiaal Perspectief aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Noten

[1] Zie de site van World Citizen Government, https://worldservice.org/docpass.html (geraadpleegd 22-11-2021), of die van Culturell Com, https://dut.culturell.com/kak-poluchit-pasport-mira-view-740241 (geraadpleegd 22-11-2021).

[2] Martha Nussbaum, ‘Patriotism and Cosmopolitanism’, Boston Review (1 October 1994); Rogers M. Smith, ‘Paths to a more cosmopolitan human condition’, Daedalus (2008), 40; David Held, Cosmopolitanism. Ideals and Realities (Cambridge en Malden 2010), 14.

[3] Kwame Anthony Appiah, ‘Cosmopolitan Patriots’, in: Joshua Cohen (red.), For Love of Country (Boston 1996), 22; Kwame Anthony Appiah, Kosmopolitisme. Ethiek in een wereld van vreemden (Amsterdam 2007), 17 (vertaling van Cosmopolitanism. Ethics in a World of Strangers uit 2006). Zie voor deze term ook: Mitchell Cohen, ‘Rooted Cosmopolitanism’, Dissent 39:4 (1992), 478–483; Sidney Tarrow, The New Transnational Activism (Cambridge 2005), 42.

[4] Arjun Appadurai lanceerde hiervoor het begrip global ethnoscapes, voor die wereldwijde netwerken van migranten uit een bepaald land of regio, waarbij men naar dezelfde muziek van het land van herkomst luistert of naar dezelfde tv-zenders kijkt. De joodse diaspora kan je ook een ethnoscape noemen. Arjun Appadurai, ‘Disjuncture and difference in the global cultural economy’, Theory, Culture & Society 7 (1990), 295-310; Tarrow, The New Transnational Activism, 52-53.

[5] Appiah, Kosmopolitisme, 162. Christenfundamentalisten en moslimfundamentalisten bijvoorbeeld gaan uit van hun weg als de enige ware weg voor de mensheid. Ook al leggen zij op die manier een wereldwijde claim, zij zijn dan in feite antikosmopoliet.

[6] Appiah, Kosmopolitisme, 19-20, 40, 51, 96.

[7] Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvdendak, ‘Introduction: The Culturalization of Citizenship’, in Jan Willem Duyvendak, Peter Geschiere en Evelien Tonkens (red.), The Culturalization of Citizenship. Belonging and Polarization in a Globalizing World (Londen 2016), 1-20, aldaar 2.

[8] Patrick O’Brien, ‘Historiographical traditions and modern imperatives for the restoration of global history’, Global History 1 (2006), 3-39. Deze wereldhistorische benadering onderscheidt zich van de wereldgeschiedenis in het groot van bijvoorbeeld David Christian of Fred Spier, waar het vaker om de geschiedenis van de wereld gaat en minder om de menselijke gemeenschappen. Zie voor een algemene global history benadering op de Nederlandse geschiedenis Karel Davids en Marjolein ’t Hart (red.), De wereld en Nederland. Een sociale en economische geschiedenis van de laatste duizend jaar (Amsterdam 2017).

[9] Het probleem van methodological nationalism (waarbij de natiestaat en de natiegrenzen het automatische uitgangspunt zijn) wordt alom onderkend. In de praktijk wordt toch nog heel snel teruggegrepen op de ‘door nationale grenzen begrensde’ geschiedenis. Zie ook: Andreas Wimmer en Nina Glick Schiller, ‘Methodological Nationalism and Beyond: Nation-State Building, Migration and the Social Sciences’, Global Networks: A Journal of Transnational Affairs 2:4 (2002), 301-334.

[10] Frederic Cooper, Citizenship, Inequality, and Difference. Historical Perspectives (Princeton 2018), 141.

[11] Guno Jones, Tussen onderdanen, rijksgenoten en Nederlanders. Nederlandse politici over burgers uit Oost en West en Nederland 1945-2005 (Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam 2007).

[12] Zie bijvoorbeeld Bram Hoonhout, ‘”Vrije grond” onbereikbaar voor slaven’, in Lex Heerma van Voss et al. (red.), Wereldgeschiedenis van Nederland (Amsterdam 2018), 323-328.

[13] Over de problematiek van etnische homogeniteit, zie: Roger Brubaker, Etnicity without Groups (Cambridge (MA) 2004).

[14] Bas Kromhout, ‘De meeste schoolboeken deugen. Onderzoek naar zeven lesmethodes’, Historisch Nieuwsblad 3 (2020). Met dank aan Marian Heesen.

[15] Miguel Heilbron, ‘Het geschiedenisonderwijs is eurocentrisch. Wij willen meer perspectieven toevoegen’, De Correspondent, 21 mei 2019.

[16] Zie de site van Overheid.nl, https://wetten.overheid.nl/BWBR0025996/2013-01-01 (geraadpleegd op 22-11-2021).

[17] Susan Legêne, Nu of nooit, over de actualiteit van museale collecties (Oratie, Amsterdam 2005), 26. Zie ook het besluit van het kabinet op de site van Rijksoverheid, https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/01/29/kabinet-herstel-onrecht-door-teruggave-van-cultuurgoederen-aan-landen-van-herkomst (geraadpleegd op 22-11-2021).

[18] Appiah, Kosmopolitisme, 144. Zie ook: Brubaker, Etnicity without Groups.

[19] Charles Tilly, ‘Citizenship, Identity and Social History’, International Review of Social History, 40:Supplement (1995), 1–17, aldaar 8.

[20] Greta Devos, Fernand Suykens en Gustaaf Asaert, De Antwerpse naties. Zes eeuwen actief in haven en stad (Tielt 2004).

[21] Justyna Wubs-Mrozewicz, Traders, Ties and Tensions. The Interaction of Lübeckers, Overijsslers and Hollanders in Late Medieval Bergen (Hilversum 2008).

[22] Mary Beard, SPQR. A History of Ancient Rome (New York 2016), 527.

[23] Cooper, Citizenship, 10-12, 40.

[24] Gianluca Parolin, Citizenship in the Arab World. Kin, Religion and Nation-State (Amsterdam 2009).

[25] Tarrow, The New Transnational Activism, 37.

[26] Willem Maas, ‘Varieties of Multilevel Citizenship’, in: Maas (red.), Multilevel Citizenship (Philadelphia 2013) 1-24; Charles Tilly, ‘A Primer on Citizenship’, Theory and Society 26:4 (1997), 599-602, aldaar 601.

[27] Willem Maas, ‘European Union Citizenship in Retrospect and Prospect, in E.F. Isin en P. Nyers (red.), Routledge Handbook of Global Citizenship Studies (London 2014), 400-417, aldaar 415-416; Cooper, Citizenship, 147.

[28] Saskia Sassen, ‘Towards Post National and Denationalized Citizenship’, in : E. F. Isin en B. S. Turner (red.), Handbook of Citizenship Studies (Londen 2002), 277-291); Bryan Turner, ‘We are all denizens now. On the erosion of citizenship’, Citizenship Studies20 (2016), 679-692; David Owen, ‘Transnational citizenship and the democratic state: modes of membership and voting rights’, Critical Review of International Social and Political Philosophy 14:5 (2011), 641-663; John Clarke et al., Disputing Citizenship (Bristol 2014); Etienne Balibar, We, the People of Europe? Reflections on Transnational Citizenship (Princeton 2003), 9.

[29] Charles Landry, The Creative City. A Toolkit for Urban Innovators (Londen 2006); Christian Joppke, ‘Earned Citizenship’, European Journal of Sociology 62 (2021), 1–35.

[30] Frits Bolkestein, Boren in hard hout (Amsterdam 1998), 145 (oorspronkelijk verschenen in NRC Handelsblad, 7 september 1996).

[31] Zie de site van het SLO: https://www.slo.nl/vakportalen/vakportaal-burgerschap/burgerschap/europees-wereldburgerschap/voorbeeldmaterialen/ (geraadpleegd 22-11-2021).

[32] Zie de site van Fawaka, www.fawakaondernemersschool.nl/wereldburgerschap .

[33] Zie de site van Blogcollectief Onderzoek Onderwijs, met bijvoorbeeld Liesbeth Breek, ‘Wereldburgerschap: zo kan het ook!’,https://onderzoekonderwijs.net/2019/03/10/wereldburgerschap-zo-kan-het-ook/(geraadpleegd 22-11-2021).

[34] Zie de site van Unesco Nederland, https://www.unesco.nl/sites/default/files/2019-02/betwist_erfgoed.pdf; de site van Euroclio, met bijvoorbeeld het project ‘critical history’ https://www.euroclio.eu/project/critical-history/ en de sites over contested histories, https://www.euroclio.eu/project/contested-histories/; met o.a. het monument over de Slag bij de Bloedrivier in Zuid-Afrika: https://contestedhistories.org/resources/case-studies/ncome-and-blood-river-monuments-on-ncombe-river-in-nquthu-dundee/. Zie over de problematiek van geschiedenis in de publieke ruimte ook Maria Grever, Onontkoombaar verleden: Reflecties op een veranderende historische cultuur (Hilversum 2020).

[35] Rapport van de canoncommissie, Open vensters voor onze tijd. De Canon van Nederland herijkt (Utrecht 2020), 13. Op p. 31-32 sluiten volgens dit rapport de recente wijzigingen goed aan bij kerndoel 53: ‘De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis’.

[36] Over de eerste canon: Maria Grever et al., Controverses rond de canon (Rotterdam 2006).

[37] Martine Gosselink, ‘De boeren, de San en een licence to kill’, in Lex Heerma van Voss et al. (red.), Wereldgeschiedenis van Nederland (Amsterdam 2018) 329-333.

[38] Voor een goed initiatief, zie de stukjes in Lex Heerma van Voss et al. (red.), Wereldgeschiedenis van Nederland (Amsterdam 2018).

[39] Judith Amsenga, ‘Geschiedenis op het vmbo. Het is niet erg stoer om te zeggen dat je het verleden leuk vindt’, Historisch Nieuwsblad 6 (2004).

[40] Sven Beckert, Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie (Amsterdam 2016). Zie de wikipediapagina over Vlisco, https://nl.wikipedia.org/wiki/Vlisco (geraadopleegd op 22-11-2021).

[41] Zie de site betreffende het werelderfgoed in Nederland, https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/werelderfgoed/werelderfgoedlijst-nederland (geraadpleegd 22-11-2021.

[42] Appiah, Kosmopolitisme, 143.

[43] Anna van Leeuwe, ‘Slavernij expositie in het Rijksmuseum’, Volkskrant, 18 mei 2021.

[44] Agus Suwignyo, Alicia Schrikker en Susan Legêne, ‘How Generations Matter: BMGN and the Problem of Writing Histories of Colonialism’, BMGN – Low Countries Historical Review 136:2 (2021), 68–85.

[45] Zie bijvoorbeeld Margriet Fokken en Barbara Henkes, Sporen van het slavernijverleden in Groningen. Gids voor Stad en Ommeland(Groningen 2016).

[46] Pepijn Brandon et al. (red.), De Slavernij in Oost en West: Het Amsterdam Onderzoek (Amsterdam 2020); Alex van Stipriaan, Rotterdam in slavernij (Amsterdam 2020); Gert Oostindie et al., Het koloniale verleden van Rotterdam (Amsterdam 2020).

[47] Joop de Jong, ‘Kritische flashbacks: het kantelende beeld van dekolonisatie’, Clingendael Spectator, 6 februari 2018; Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis, ‘Extreem geweld tijdens dekolonisatieoorlogen in vergelijkend perspectief, 1945-1962’, BMGN –Low Countries Historical Review 135:2 (2020), 34-51.

[48] Jos van Beurden, ‘Decolonisation and colonial collections: An unresolved conflict’, BMGN – Low Countries Historical Review 133:2 (2018) 66-78, aldaar 67; zie ook Jos van Beurden, Ongemakkelijk erfgoed. Koloniale collecties en teruggave in de Lage Landen(Zutphen 2021).

[49] Maarten Couttenier, ‘EO.0.0.7943’, BMGN – Low Countries Historical Review 133:2 (2018) 68-90, aldaar 90.

[50] Couttenier, ‘EO.0.0.7943‘, 79.

[51] Zie ook Caroline Drieënhuizen, ‘Mirrors of Time and Agents of Action Indonesia’s Claimed Cultural Objects and Decolonisation, 1947-1978’, BMGN – Low Countries Historical Review 133:2 (2018), 91-104, aldaar 103.

[52] Appiah, Kosmopolitisme, 148.

[53] Het is van belang om de weinige ruimte die geschiedenisonderwijs heeft in dit land zo effectief mogelijk te gebruiken. Zie Euroclio, School History on the Move (enquête, 2003): de meeste leerlingen krijgen tot hun vijftiende verplicht geschiedenisles, gemiddeld 90 minuten per week. Alleen in Nederland, Groot Brittannië en IJsland is geschiedenis dan al een keuzevak geworden. Zie ook Paul-Kleis Jager, ‘Geschiedenis wordt een tijdvak’, Trouw (23 februari 2001): ‘Geschiedenis verloor zijn vanzelfsprekendheid: met de Mammoetwet (1968) moesten de historici uren inleveren bij het typische jaren-zestigproduct Maatschappijleer en werd hun vak bovendien – uniek in Europa – ook nog eens gedegradeerd tot keuzevak. Het gevolg is geweest dat leerlingen nergens zo weinig uren geschiedenis krijgen als in Nederland’.

[54] Kwame Anthony Appiah, De leugens die ons binden. Een nieuwe kijk op identiteit (Amsterdam/Antwerpen 2019; vertaling van Lies that bind. Rethinking identity van 2019), 28. Zie ook het kritische onderzoeksprogramma van de onderzoeksgroep NL-Lab (HuC KNAW) op https://nl-lab.net/ (geraadpleegd op 24-11-2021).

Opmerkingen

© KNHG 2021 Website: Code Clear