‘In tijden van intelligente lockdown’ – #8. Jona van Keulen

In ons doorgeefblog ‘In tijden van intelligente lockdown’ reflecteren KNHG-leden op de gevolgen van de coronacrisis voor hun dagelijkse werkpraktijk en/of belichten zij de huidige situatie vanuit hun specifieke historische expertise. Vorige keer schreef Arjen Dijkstra een bijdrage. In aflevering 8 is het woord aan Jona van Keulen, historicus en archivaris, en werkzaam als hoofd Publieksactiviteiten bij de Groninger Archieven.

Het is half maart en de voorbereidingen voor het jaarlijkse onderwijsproject over de Tweede Wereldoorlog in de stad Groningen zijn achter de rug. We staan klaar om in de weken daarna totaal circa 1200 leerlingen te ontvangen. Maar nee, wij gaan thuiswerken. De volledige omkering van mijn werk: eerst annuleren, dan schrappen van plannen, en daarna zoeken naar digitale in plaats van fysieke vormen. Al die jaren hebben we ingezet op: naar ons toekomen, de echte stukken zien en aanraken, kijken achter de schermen, zeker voor het onderwijs. Want ook de leerkrachten vinden dat leerlingen al zo veel achter de computer zitten. Nu nog meer dus. En wij ook.

Foto: Jasper Huzinga

Opeens ben ik een hoofd publieksactiviteiten zonder publiek en zonder fysieke activiteiten. De Groninger Archieven hebben websites met vele onderzoeksmogelijkheden, en onder het motto MaakGeschiedenis organiseren wij projecten om publiek actief bij onze collectie te betrekken, waarbij men op afstand kan meewerken aan het toegankelijker maken en beschikbaar stellen van collectieonderdelen. Maar dat is het werk van collega’s.

Het jaarlijkse onderwijsproject rond de Tweede Wereldoorlog, en ook een eerder project rond de Kerstvloed in 1717, maakt eens te meer duidelijk dat er altijd te weinig gegevens zijn over de praktische gang van zaken, voor antwoorden op de vraag: hoe overleeft een samenleving zo’n crisis? En nu vraagt de archiefwereld zich af: hoe de coronacrisis voor later vast te leggen, waarbij men juist aan ervaringen in het dagelijks leven denkt?

Daarom roepen de Groninger Archieven de inwoners van onze provincie op een dag uit hun leven te beschrijven, een project getiteld ‘een ongewone gewone dag’. We kiezen voor 20 april – een dag voor de persconferentie van de minister-president, met mogelijk een aankondiging van de eerste verruiming. Wij vragen en krijgen brede aandacht in de regionale media. Iedereen herkent het bijzondere van deze situatie. Dit is een kans om geschiedenis te maken, te schrijven én in de collectie te komen.

Al doende vraag ik me af, of onderzoekers hier later iets aan hebben. Ook mijn verhaal is te algemeen: het ontbreekt aan voorstelling. Maar ik denk dat jongeren eerder audiovisuele bijdragen zullen aanleveren dan tekst. Hoe een laptop er nu uitziet, is later hopelijk nog uit beeldmateriaal te achterhalen. Nu merk ik zelf hoe lastig het is praktische informatie te geven. Wat weten mensen later niet of wel over deze tijd? Of nog erger, wat hadden latere onderzoekers liever willen weten?

Op die 20e april komt ook het verzoek of ik mogelijkheden zie om eerstejaarsstudenten Geschiedenis digitaal te ontvangen, zodat ze toch nog iets ervaren van archieven en archiefonderzoek. Via mail en telefoon krijg ik uitleg over het collegesysteem dat de RuG gebruikt. Alles moet anders.

Als voorbereiding neem ik een hoorcollege op (in twee talen), wat er in de praktijk op neerkomt dat je een soort lezing houdt terwijl je naar je eigen PowerPoint kijkt. Daarna maak ik een opdracht op basis van online beschikbaar materiaal om van tevoren te maken. Blijft de uitdaging: hoe de rondleiding te vervangen? Met twee collega’s maak ik een aantal filmpjes. Eentje waarin een collega uitleg geeft over de depots en de charterberging toont, zodat we toch een blik achter de schermen bieden. Daarnaast vertelt hij over stukken rond de West-Indische Compagnie (WIC) en sporen van slavernij in Groningen, tijdens zijn studie ook zijn scriptieonderwerp. Later zal blijken dat studenten zijn enthousiasme voor dit materiaal herkennen en waarderen. Ik kies voor de Kerstvloed van 1717, die in Groningen diepe sporen trok. De stukken daarover geven slechts incidenteel zicht op de ervaringen van inwoners. En of die ervaringen dan incidenteel of algemeen zijn?

In het online college daarna bespreek ik met de studenten de resultaten van de opdrachten en de waarde van archiefmateriaal. Ik trek daarbij een parallel tussen de Kerstvloed en de coronacrisis; dat we altijd afhankelijk zijn van de bewaarde bronnen.

Nu ik toegang tot het online onderwijssysteem heb, zie ik ook het andere collegemateriaal. Dan dringt het echt tot mij door dat de studie veranderd is. In de jaren ’70 bestond mijn voorbereiding op archiefonderzoek uit het leren lezen van oud schrift. Nu gaat het ook over het theoretisch kader, met bijvoorbeeld aandacht voor de macht van de archiefvormer en de collectiebeheerder, zoals die onder meer tot uiting komt in het wel of niet bewaren en in de wijze van beschrijven en presenteren. Zaken waarvan ik mij niet kan herinneren dat die tijdens mijn studie geschiedenis en archiefopleiding zijn genoemd.

Het project ‘Een ongewone gewone dag’ leidt dan ook tot reacties. Is dit wel onze rol, en wat is de waarde van bronnen die opzettelijk gemaakt zijn? Zo krijg ik een nieuw perspectief op mijn werk en andere aanknopingspunten om met studenten in gesprek te komen.

Studenten waarderen de korte films, maar geven tegelijkertijd aan geen idee van archieven te hebben en niet wisten wat te verwachten. En dan toch de vraag, of er volgend jaar alsnog een rondleiding is? Wie weet…

Ik geef het stokje door aan Marianne Boere, bibliothecaris van Atria, Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis.

© KNHG 2020 Website: Code Clear