‘In tijden van intelligente lockdown’ – #4. Naomi Woltring

In ons nieuwe doorgeefblog ‘In tijden van intelligente lockdown’ reflecteren KNHG-leden op de gevolgen van de coronacrisis voor hun dagelijkse werkpraktijk en/of belichten zij de huidige situatie vanuit hun specifieke historische expertise. Vorige week schreef Margit van der Steen een bijdrage. In aflevering 4 is het woord aan Naomi Woltring, promovenda politieke geschiedenis in het onderzoeksproject Market Makers aan de Universiteit Utrecht.

Foto: Dané Vonk

Als historica die zich bezighoudt met de politieke invloed van ideeën zijn er twee redenen om crises interessant te vinden: vanwege de verspreiding van ideeën die vormend kunnen blijken voor het post-crisistijdperk en vanwege de grote en kleine dagelijkse veranderingen die zich voltrekken in crisistijd en die daarna grote gevolgen kunnen hebben voor de consolidatie van die ideeën.

Historicus Mark Blyth beschrijft in zijn boek Great transformations (2002) dat crises cruciaal zijn voor de invloed van politieke ideeën, omdat ideeën in periodes van economische crisis onzekerheid verminderen. In tijden van crisis zijn mensen onzeker over wat hun belangen precies zijn, en ideeën kunnen de perceptie van die belangen veranderen. Ideeën maken zo collectieve actie mogelijk. Ideeën kunnen bestaande instituties delegitimeren en kunnen blauwdrukken voor nieuwe instituties vormen, aldus Blyth. Ten slotte maken ideeën institutionele stabiliteit mogelijk, omdat mensen toekomstverwachtingen hebben op basis van hun ideeën en daarom vasthouden aan instituties die deze verwachtingen mogelijk lijken te maken. Tot er zich weer een nieuwe crisis aandient.

Voorbeelden van dat soort ideeën zijn er nu te over. Na de eerste stille lockdown-weken waarin iedereen koortsachtig op nos.nl het laatste coronanieuws bekeek, volgde het ene na het andere voorstel over hoe de wereld er na corona (‘NC’, in de terminologie van Wim Derksen) uit zou moeten zien. De meeste van die ideeën waren al voor de crisis bedacht: het rapport van de commissie-Borstlap is van januari dit jaar, het voorstel voor steun aan ZZP’ers is volledig in lijn met eerdere pogingen deze groep meer zekerheid te bieden, al ruim voor de corona-uitbraak werkten ambtenaren aan bezuinigingsvoorstellen (brede heroverwegingen). De ideeën lagen al op de plank, het is nu de vraag wat er aanslaat en blijft hangen. In een artikel op OpenDemocracy werd het definitieve einde van het neoliberale tijdperk al aangekondigd. Iedereen voelt dat deze maanden een waterscheiding vormen. Natuurlijk heb ik daar mijn eigen opvattingen en wensen over, maar zeker op de website van de beroepsvereniging voor historici zal ik niet proberen die enig wetenschappelijk credo te verlenen.

De belangrijkste dagelijkse veranderingen zitten voor mij vooral in het halve dagen thuiswerken en het halve dagen zorgen voor mijn kinderen. De start van mijn werkweek was het bespreken van een concepthoofdstuk uit mijn proefschrift met drie collega’s via Skype. Mijn getrein naar de Universiteit Utrecht, naar interviewafspraken en naar archieven is gestopt. Mijn vriend zit niet meer een paar keer per week al om zes uur in de auto om voor de files uit naar zijn werk te racen. Natuurlijk, voor archiefwerk moet ik zodra het kan weer de deur uit, collegegeven aan een groep studenten is echt leuker en makkelijker als je in hetzelfde lokaal bent en je wil je collega’s ook wel eens gewoon in levende lijve zien. Maar er kan zo veel vanuit huis.

Het gedwongen thuis zitten leidt mogelijk ook tot een blijvend andere taakverdeling thuis in gezinnen met kinderen. In The Atlantic stond een artikel over hoe epidemieën slecht zijn voor vrouwenemancipatie, maar het tegenovergestelde zou in dit geval ook waar kunnen zijn. Veel vitale beroepen blijken vrouwenberoepen: in het onderwijs, in de zorg. Als de partner geen vitaal beroep heeft, zal die vaker voor de kinderen zorgen. Zoals een mannelijke collega tegen me zei: ‘In de speeltuin kom ik vooral andere papa’s tegen.’ Een andere mannelijke collega die thuis voor de baby zorgt terwijl zijn vriendin in coronapak een huisartsenpost bemant, begon erover dat hij weinig werk gedaan kreeg omdat hij last had van een ‘huisvrouwenkwaal, een ‘‘scattered brain’’’ – onder jonge moeders beter bekend als ‘mommy brain’.

Ook bij stellen die ‘voor corona’ al gelijkheid nastreefden, was de praktijk toch vaak dat zij meer zorgtaken op zich nam – ‘dat groeide zo’ tijdens het bevallingsverlof. Wanneer geen van beide partners een vitaal beroep heeft en je als gezin echt 24/7 op elkaars lip zit, is het nu niet meer zo vanzelfsprekend dat zij de ‘second shift’ doet. Een collega werkt van zes tot negen, haar man van negen tot drie en dan zij weer van drie tot zes. Hij zorgt dat de kinderen aangekleed zijn en gegeten hebben, zij doet het schoolprogramma en gaat met ze naar buiten, hij kookt. Een andere collega en haar man werken om de beurt twee uur en entertainen hun tweejarige. Mijn vriend en ik werken beurtelings vier uur en zorgen de andere vier uur voor onze zoontjes. Hoe gezellig het ook is thuis, we kijken allemaal reikhalzend uit naar de heropening van de kinderopvang, want bijna elke doordeweekse avond werken om nog een beetje aan je uren te komen, begint bij iedereen zijn tol te eisen.

Hoe blijvend de dagelijkse veranderingen zullen zijn en hoe ze zullen samenvallen met de in crisistijd aangeslagen ideeën, zal de komende maanden en jaren blijken. Veranderen we ons reisgedrag blijvend? Breekt het thuiswerken door of blijft dat een privilege? Gaan we vitale beroepen, ook die van seizoenarbeiders in de landbouw, anders waarderen? Worden zorgtaken eerlijker verdeeld? Komt er een stelsel van sociale zekerheid waarin iedereen een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft en pensioen opbouwt? Wordt de lucht blijvend schoner? Uit een crisis hoeft niets goeds voort te komen. Maar het kan wel.

Ik geef het stokje door aan Eelko Hooijmaaijers, docent geschiedenis aan het Stedelijk Gymnasium Leeuwarden.

© KNHG 2020 Website: Code Clear