Verslag debatavond van KNHG ‘Geschiedenis als (on)politieke wetenschap?’

Op 5 juni organiseerden het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG) en het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) in een druk bezocht Spui25 te Amsterdam een debat over ‘Geschiedenis, een (on)politieke wetenschap?’. Zij nodigden historici in Nederland uit om in debat te gaan over de verhouding tussen politiek en geschiedenis en de eventuele rol van de beroepsvereniging hierbij. De avond bestond uit een paneldiscussie tussen de voorzitster van het KNHG & hoogleraar politieke geschiedenis Susan Legêne, universitair docent en cultuurhistoricus Jeroen Koch, postdoctoraal onderzoeker en publicist Geerten Waling en universitair docent en DAAD-fellow aan het DIA, Christina Morina. De historicus Krijn Thijs, verbonden aan hetzelfde Duitslandinstituut, trad op als moderator. Daarna werd het debat met het publiek van ongeveer honderd historici en geïnteresseerden aangegaan.

Aanleiding

In zijn openingswoord schetste Krijn Thijs de aanleidingen voor deze debatavond. In Europa, maar ook elders in de wereld, wordt sterk gepolemiseerd over de rol van historici in het politieke debat, alsook over de omgang van politici met het verleden. In Duitsland woedt dit debat misschien wel het hevigst en dat is niet toevallig. In een land waar de omgang met het eigen naziverleden uiterst gevoelig ligt, leidde de wijze waarop de extreem-rechtse Alternative für Deutschland en Pegida dit Duitse verleden in het politieke debat gebruikten tot schokgolven. In dit licht had de Duitse beroepsvereniging voor historici, het Verband der Historiker und Historikerinnen (VHD) en de zustervereniging van het KNHG, op 27 september 2018 een fel bekritiseerde resolutie met richtlijnen over de rol van geschiedenis in het politieke debat aangenomen tijdens hun algemene ledenvergadering. De VHD riep historici en politici op tot historisch sensibel taalgebruik, keerde zich tegen politiek misbruik van geschiedenis en riep op tot een menselijk vluchtelingenbeleid. De resolutie lokte hevige kritiek uit. Linkse en liberale historici hadden bewust, zo luidde het, de inhoud van deze resolutie naar zich toe getrokken, waardoor conservatieve historici het recht was ontnomen om mee te praten.

Hoewel de Nederlandse context en omgang met het verleden sterk van de Duitse verschilt, woedt ook in Nederland een debat over de verhouding tussen geschiedenis en politiek. Dit debat spitst zich inhoudelijk sterk toe op de Nederlandse omgang met het slavernijverleden en de dekolonisatie. Daarnaast discussiëren historici over de al dan niet bestaande ideologische diversiteit binnen de geschiedwetenschap. En net als in Duitsland beroept ook in Nederland met name de uiterst rechtse partij Forum voor Democratie zich op uiterst traditionele Nederlandse geschiedbeelden. Deze partij bindt bovendien de strijd aan met de universitaire gemeenschap die zij in haar geheel als overwegend links typeert en vervolgens diskwalificeert.

Anders dan de Duitse VHD heeft het KNHG als beroepsorganisatie tot nu toe bewust geen standpunt ingenomen in deze discussies. Met de avond ‘Geschiedenis, een (on)politieke wetenschap?’ nodigde het KNHG eerst en vooral vakgenoten uit om over de verhouding tussen geschiedenis en politiek in debat te gaan en hierover uiteenlopende standpunten en gevoeligheden te bespreken. Het debat concentreerde zich onder meer op: hoe politiek of onpolitiek is de geschiedwetenschap in Nederland vandaag de dag, moeten historici afstand bewaren of hebben zij een maatschappelijke verantwoordelijkheid en welke rol moet het KNHG als beroepsvereniging in deze debatten innemen? De vragen die op tafel lagen, waren in zekere zin bekende en aloude vragen, maar deze hebben in de huidige politieke context aan actualiteit en urgentie gewonnen. De aanwezige Duitsland-kenners in het panel, met name Morina en Thijs, richtten de blik van buiten op het Nederlandse debat en lichtten de Duitse discussie toe. Na een kort openingsstatement van elke spreker startte het debat .

Inclusiviteit en identiteitspolitiek

Legêne benadrukte in haar statement dat politiek onlosmakelijk verbonden is met geschiedschrijving. De vraag echter hoe ‘verpolitiekt’ het vak is geworden is volgens haar een andere en veel complexere kwestie, waarbij ze historici tot voorzichtigheid wilde aanzetten. Niet alleen in de manier waarop zij zich in het actuele debat begeven, maar ook in hoe zij elkaar benaderen. Legêne lichtte toe dat het bestuur van het KNHG onder haar voorzitterschap onder andere aandacht heeft gegeven aan de in- en uitsluitende werking van de geschiedschrijving, om historici nog meer te laten reflecteren op hun standplaatsbepaling en wie of wat zij uitsluiten als ze archieven selecteren en analyseren.

Waling presenteerde zich daar lijnrecht tegenover, als een voorstander van een radicale multiperspectiviteit én als niet-ideologisch historicus. Hij voegde hier meteen aan toe dat hij het liberalisme aanhing, opvallend genoeg schaarde Waling dat denkkader blijkbaar niet onder ideologie. Hij verzette zich tegen de moraliserende benadering van historici én het KNHG die zich voor een meer diverse en insluitende geschiedschrijving inzetten. Historici die zich bezig houden met minderheden-, vrouwen- en koloniale geschiedenis, zo betoogde Waling, claimen vaak onterecht niet politiek te handelen en sluiten op hun beurt afwijkende en andere perspectieven uit, waardoor een intolerant klimaat ontstaat. Waling bepleitte een gebalanceerde en niet-ideologische geschiedbenadering, waarbij bijvoorbeeld over het Nederlandse verleden geen schaamte, maar ook geen trots, hoeft te worden verspreid.

In het debat dat daarop volgde vereenzelvigde Waling deze geschiedschrijving van vrouwen, minderheden en het koloniale verleden met identiteitspolitiek, een begrip dat Waling, ondanks aandringen van verschillende panelleden, van geen duidelijke definitie voorzag. De vraag of deze zogenaamde identiteitspolitieke geschiedschrijving eigenlijk een nieuw fenomeen is in de geschiedwetenschap of juist nieuwe wijn in toch wel erg oude zakken – gezien de toch sterke gelijkenissen met de inzet van haast alle negentiende-eeuwse historici voor de nationale identiteit en van marxistische historici voor de emancipatie van de (mannelijke en westerse) arbeider – bleef daarbij onbevraagd en dus onbeantwoord.

Maatschappelijke relevantie

Morina plaatste hier een andere benadering van geschiedenis en politiek tegenover. Ondanks haar opvatting dat geschiedenis altijd ten dienste staat van de maatschappij, verdedigde zij de Weberiaanse opvatting van een waardenvrije, neutrale en objectieve geschiedwetenschap. Daarbij hanteerde zij het aloude argument dat de maatschappelijke relevantie van de historicus niet zozeer in het heden ligt – waar de historicus zich kan branden aan de verhitte actualiteit – maar in het verleden. De waarde van geschiedenis ligt in het inzichtelijk maken van het heden door de dieperliggende, historische oorzaken voor het ontstaan van actuele debatten over het voetlicht te brengen. De taak van de Duitse historicus lag meer, zo betoogde Morina, in het verklaren van de opkomst van AfD in Oost-Duitsland in plaats van in het opstellen van een paternalistisch aandoende resolutie.

Ook Koch bewaarde afstand ten opzichte van een uitgesproken engagement. Vanuit historisch perspectief schetste hij hoe Nederlandse historici doorheen de tijd met politiek zijn omgegaan en ontwaarde een toenemend engagement in de hedendaagse geschiedwetenschap. Vooral de foucaultiaanse analyses van machtsstructuren leiden volgens hem eerder tot afrekeningen met het verleden dan tot het rekenschap geven van het verleden. Volgens Koch staat dit engagement in zekere zin op gespannen voet met het toenemende individualisme en het verdwijnen van allesverklarende politieke geschiedvisies als fundament voor de historische analyse, zoals het marxisme bij Romein en het calvinisme bij Groen van Prinsterer. De relevantie van de historicus zit volgens hem eerder in diens expertise en vaardigheden. Het is aan de historicus om het pluriforme karakter van geschiedenis te respecteren, en op basis van expertise feitenvrije uitspraken en valse sentimenten, zoals tempo doeloe, te corrigeren.

Multiperspectiviteit

Naar aanleiding van Kochs verdediging van het pluriforme karakter van het verleden en Walings pleidooi voor een diversiteit aan opinies over het verleden, bogen de panelleden zich over het idee van multiperspectiviteit. Hoewel de sprekers duidelijk uiteenlopende opvattingen hanteerden over de verhouding tussen geschiedenis en politiek, leken ze elkaar te vinden in een consensus over het belang van multiperspectiviteit, met name in de collegezaal waar studenten hun oordeel vormen over de waarde van uiteenlopende geschiedbenaderingen. Legêne wees erop dat de aandacht van het KNHG voor diversiteit gestoeld is op het idee dat de eerder niet gehoorde stemmen van groepen ook ruimte moeten krijgen, naast en in confrontatie met dominante verhalen. Morina benadrukte van haar kant dat slechts één perspectief aan het woord laten slechte geschiedwetenschap oplevert, terwijl het luisteren naar verschillende posities juist een historische vaardigheid is.

Tegelijkertijd werd multiperspectiviteit tijdens het debat een leeg containerbegrip waarbij het de vraag is of de sprekers dit begrip wel op dezelfde manier interpreteerden en of consensus over de inhoud van dit begrip überhaupt mogelijk is gezien de verschillende standpunten. Als multiperspectiviteit de oplossing bij uitstek is en alle stemmen moeten worden ingesloten, hoe geeft Waling dan ruimte aan een kritische beschouwing van de zwarte bladzijden van het Nederlandse verleden en hoe verhoudt Legêne zich dan tot perspectieven die de stemmen van minderheden uitsluiten? Met andere woorden niet alleen de inhoud maar ook de grenzen van multiperspectiviteit werden niet verkend.

Van wie is de geschiedenis?

Walings kritiek op een volgens hem vaak moraliserende en eendimensionaal opgevatte geschiedschrijving over gender en ras werd ook gevoed, zo maakte hij duidelijk, door het idee dat dit soort geschiedenis niet aansluit bij de ‘beleving van de massa’. In haar pleidooi waarschuwde Morina voor de consequenties van een (te) eenzijdige geschiedschrijving. Als concreet voorbeeld gaf ze de dominantie van naoorlogse West-Duitse geschiedverhalen waarin Oost-Duitse perspectieven werden uitgesloten en die volgens haar een verklaring is voor de opkomst van de AfD. De historicus hoort erover te waken, zo betoogde Morina, dat alle burgers zich gehoord voelen in het dominante historische narratief.

Deze discussie over ‘zich gehoord voelen’ in Duitsland werpt voor de Nederlandse geschiedschrijving een belangrijke vraag op. Is het wel zo, zoals Waling beweert, dat de geschiedschrijving van minderheden en de koloniale geschiedschrijving, de Nederlandse geschiedwetenschap in de meest brede zin – van erfgoedstudies, archieven tot musea en van geschiedenisonderwijs tot geschiedwetenschap – domineert. Of is het dat deze hedendaagse aandacht voor gender en ras een correctie biedt, zoals Legêne betoogt, op een geschiedbeleving waarin postkoloniale en arbeidsmigranten en vrouwen lange tijd niet vertegenwoordigd waren. Die geschiedschrijving was, en is misschien nog wel, dominant in Nederland.

Tot slot vroeg Bas Kromhout, senior redacteur bij Historisch Nieuwsblad, vanuit het publiek aan de sprekers om ook op de Nederlandse geschiedenispolitiek reflecteren. De sprekers hadden tijdens deze avond vooral aandacht voor de manieren waarop historici zich tot politiek verhouden, en bijna niet voor de omgang van Nederlandse politici met geschiedenis. Kromhout vroeg zich in deze context af hoe het KNHG over de net opnieuw ingestelde Canoncommissie denkt en meer in het bijzonder over de inhoudelijke uitspraken van de minister. Legêne antwoordde hierop de beroepsvereniging actief betrokken is bij de curriculumwijziging en dus indirect ook bij de canon. Zij noemde de uitspraken van de minister in deze ‘ongelukkig’, maar zei vertrouwen te hebben in de aangetrokken voorzitter.

De winst van deze debatavond is dat er zeer verschillende stemmen en opvattingen over de verhouding tussen geschiedenis en politiek in Nederland samen kwamen en met elkaar in discussie gingen. Bovendien riep het nieuwe en uiteenlopende vragen en thematieken op. Het is een debat dat het KNHG met alle historici zal voortzetten tijdens de Historicidagen in Groningen op 22-24 augustus.

Tessa Lobbes (Managing editor BMGN-LCHR)

© KNHG 2019 Website: Code Clear