Criteria van waarde in de geschiedbeoefening 2: Erfgoed, waardevol perspectief en politiek instrument

Historici (wetenschappers, archivarissen, geschiedenisdocenten) hanteren in hun onderzoek naar het verleden impliciete waarden. Promovendi Tim Riswick en Laurien Zurhake willen, in samenwerking met het KNHG, deze waarden expliciet problematiseren.  Zij organiseren een  driedelige debatreeks ‘Criteria van waarde in de geschiedbeoefening’ waarin dat brede onderwerp wordt besproken  aan de hand van drie thema’s: archieven- en bewaarplaatsen, erfgoed en publieksgeschiedenis. De tweede bijeenkomst in deze reeks vond 12 mei plaats in het Rijkscentrum voor Cultureel Erfgoed in Amersfoort, onder de titel ‘Erfgoed: waardevol perspectief en politiek instrument’.

De middag bestond uit een keynotelezing, een reactie van een referent daarop en twee lezingen van jonge historici afgewisseld door korte elevator pitches. Verder was er veel ruimte voor debat met het publiek, dat bestond uit een man of dertig variërend in leeftijd en wisselend qua achtergrond van historicus tot planoloog tot antropoloog. Ter bevordering van de interactie tussen sprekers en zaal werden de lezingen afgewisseld door collectieve stemmingen. Riswick projecteerde een stelling op de beamer waar de aanwezigen middels hun smartphone of laptop ‘eens’ of ‘oneens’ op konden antwoorden. De uitslag werd direct zichtbaar. Hoewel de stellingen wel iets prikkelender hadden gemogen, werkte deze opzet goed en voorkwam het een te rigide scheiding tussen sprekers en luisteraars. De middag werd door voorzitter Nathalie de Haan, oudhistorica verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, geopend, geleid en gesloten.

De (verloren) onschuld van erfgoed
Martijn Eickhoff, historicus verbonden aan het NIOD Instituut voor Oorlog-, Holocaust- en Genocidestudies, opende met  een keynote getiteld ‘Erfgoed in niemandsland, geen waarde te bekennen’. In zijn lezing legde hij een link tussen westerse kolonisatie en de ‘vererfgoedisering’ van objecten, plaatsen of gebouwen. ‘Erfgoed’, zo citeerde hij de historicus Frans Grijzenhout, ‘heeft zijn onschuld verloren’. Volgens Eickhoff bezit erfgoed voor velen in het Westen een bepaalde vanzelfsprekendheid – een vanzelfsprekendheid die feitelijk onterecht is. Hij illustreerde dat aan de hand van cases over objecten met een erfgoedstatus in ongecultiveerde of bestuurlijk ‘vrije’ gebieden, of te wel ‘niemandsland’. Zo besprak hij een overgebleven infrastructuur van een Romeinse stad in hedendaags Libië, die in 1982 door UNESCO aan de Werelderfgoedlijst is toegevoegd, maar momenteel ligt in gebied  van Islamitische Staat.

Het theater van de Romeinse stad Sabratha in Libië (foto: Wikimedia).

Het problematische is dat deze ruïnes een dergelijke erfgoedstatus van UNESCO krijgen met een beroep op hun belang en uniciteit voor de mensheid als geheel, terwijl – zo maakte Eickhoff duidelijk – dat belang volledig geconstrueerd is vanuit westerse optiek. Op dezelfde manier is in de negentiende eeuw kolonisatie van gebieden gelegitimeerd op basis van het idee dat ‘het Westen’ onmisbaar erfgoed zou moeten beschermen waar de inheemse bevolking niet voor zorgde. Het Westen houdt, aldus Eickhoff, erfgoed in de wereld in een ‘propagandistische houdgreep’. IS reageert op die houdgreep met vernielingen. Volgens Eickhoff moeten deze handelingen, waarop westerse media met afschuw reageren, niet gezien worden als  vernietiging, maar veeleer als verandering van erfgoed:  het creëren van ‘negatief erfgoed’ om de westerse visie op erfgoed te trotseren. Eickhoff vergeleek dit met het schrijven van een grote-vrouwengeschiedenis als tegenhanger van de heersende grote-mannengeschiedenis, zoals vrouwelijke historici in de jaren zeventig en tachtig deden.

Eickhoff problematiseert de vanzelfsprekendheid van erfgoed en vooral van de algemene geldigheid daarvan, en roept op tot een soort dekolonisatieproces van erfgoed. Om daadwerkelijk inzicht te krijgen in de functionering van erfgoed, moet de betekenis die een ruïne als die in Libië heeft voor de lokale bevolking in overweging worden genomen. En juist historici kunnen, gewapend met hun vakgerelateerde bewustzijn van tijd-, context-, en plaatsgebondenheid van alle visies op het verleden, dit dekolonisatieproces in gang zetten.

De gebruikswaarde van erfgoed
Antropoloog en medewerker van het RCE Jos Bazelmans vervolgde met zijn lezing ‘Betwixt and between: levensbeschouwelijke waarden en erfgoed’. In tegenstelling tot de politieke lezing van Eickhoff koos hij voor een zeer persoonlijk verhaal, een ‘micro-etnografie’. Hij nam het publiek mee terug naar de erfenisverdeling met zijn zes broers en zussen na het overlijden van hun moeder, en sprak over de beslissingen die zij daarbij moesten nemen omtrent de waarde (of dat nu geldelijke, emotionele, historische of anderszins was) van objecten uit die erfenis.

Hoewel zijn lezing hier en daar iets te anekdotisch was en het zeer persoonlijke relaas bij het slot te weinig naar een hoger plan werd getild, deed Bazelmans wel een belangrijke en interessante observatie. Hij merkte op dat bij deze gelegenheid bleek hoezeer de vraag of iets ‘erfgoed’ is bepaald wordt door de mate van gebruik. Zolang een antieke kussenkast – het voorbeeld dat Bazelmans gebruikte – een functie vervult blijft zijn status als ‘erfgoed’ impliciet. Pas wanneer de kast, bijvoorbeeld door het overlijden van zijn eigenaar, die gebruikswaarde verliest, wordt het besluit over zijn ‘erfgoedwaardigheid’ of onmisbaarheid acuut. Datzelfde geldt voor een gebouw dat pas erfgoed wordt wanneer het leegstaat en afgebroken gaat worden – dan pas wordt het bevraagd op uniciteit en historisch belang. Gebruikswaarde is dus een zeer belangrijke component bij de bepaling van erfgoed, zo concludeerde Bazelmans.

Fred Vogelzang, die zelf een van de elevator pitches gaf die middag, merkte op dat gebruik niet in alle opzichten een positieve werking heeft voor erfgoed-objecten: bij regelmatig gebruik ligt slijtage immers altijd op de loer. Hoe vind je de juiste balans tussen gebruik en behoud van objecten? In zijn elevator pitch getiteld ‘Erfgoedtoerisme, vloek of zegen?’ ging hij op dit punt verder door. Een gebouw of plaats tot erfgoed benoemen geschiedt, zo betoogde hij, vanuit het idee dat het in zijn historische staat bewaard blijft voor de toekomst. Wanneer zo’n plaats echter opengesteld wordt voor toerisme houdt dat in dat het gebouw niet alleen behouden moet worden, maar ook onderhouden – en daarmee tast je die historische staat juist aan. Een dergelijke situatie doet zich voor in het oude centrum van Amsterdam: hoe meer toeristen daarheen trekken, hoe meer de lokale bevolking daar juist wegtrekt en de binnenstad zich ontwikkelt tot uitsluitend toeristenparadijs – en hoe minder die toeristen dus in feite het authentieke historische Amsterdam te zien krijgen. Vogelzang kaartte hier dus een paradox van erfgoed aan: iets tot bezienswaardig erfgoed maken kan ook tot de ondergang van dat erfgoed-object zelf leiden.

De nieuwe generatie
Na een kleine pauze was het de beurt aan de jonge historici. Als eerste betrad Jeroen Arts het spreekgestoelte, die werkzaam is bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij haastte zich aan het begin van zijn lezing duidelijk te maken dat hij hier geenszins stond om het regeringsbeleid uiteen te zetten. Het belangrijkste doel van zijn wat chaotische lezing was oproepen tot het horen van alle verschillende stemmen bij de bepaling van erfgoed. Er wordt volgens hem op zeer verschillende wijze gedacht over erfgoed onder groepen in de samenleving; de overheid zou zich in deze discussies afzijdig moeten houden en uitsluitend het voortbestaan van die dialoog moeten faciliteren. In zijn elevator pitch leek Jesper Oldenburger minder aan te sturen op de dialoog, maar wel eveneens op een uitsluitend faciliterende rol voor de overheid of de ‘expert’. Hij illustreerde dat met het interessante concept van ‘levend erfgoed’, of te wel het ‘bewaren’ van bepaalde dierenrassen door middel van fokken. Daarbij blijkt, zo betoogde hij overtuigend in slechts drie minuten, de kennis van de direct betrokken boeren veel belangrijker te zijn dan de bij wet opgelegde rasbeschrijvingen waar fokkers zich aan te houden hebben.

De laatste jonge historicus die aan het woord kwam was Susan ten Brake, planologe en medewerker van BOEi, een organisatie die zich inzet als ‘reddingsboei’ voor oude gebouwen die met sloop of verval bedreigd worden. Aan de hand van drie concrete cases liet zij zien hoe BOEi gebouwen opkoopt, laat opknappen en een nieuwe bestemming geeft. Volgens Ten Brake zijn het de verhalen van mensen bij gebouwen die deze tot erfgoed maken. Door de activiteiten van BOEi blijven die verhalen niet alleen bestaan, maar is er door het hergebruik van de monumenten ook ruimte voor nieuwe verhalen. Zij pleitte dan ook voor een ‘ruimhartige opvatting’ van erfgoed, waarbij verschillende verhalen bij hetzelfde object probleemloos naast elkaar kunnen bestaan.

Verantwoordelijkheid
De lezingen en de discussies kunnen herleid worden tot twee centrale vraagstukken rondom erfgoed. Ten eerste wat een object, plaats of gebouw tot ‘erfgoed’ benoemen precies inhoudt: betekent dat het ‘fixeren’ van de tijd, het vastleggen van één verhaal over het verleden voor de toekomst, of juist het bewaren van een historisch object en het overlaten aan de hedendaagse mens om er nieuwe verhalen en herinneringen aan toe te voegen? Ten Brake, met de herbestemming van monumenten en het pleidooi voor het naast elkaar bestaan van meerdere verhalen, lijkt voor dat laatste te zijn, terwijl Vogelzang, die in zijn elevator pitch de gevolgen van erfgoedtoerisme hekelde, juist veel meer aanstuurt op fixatie. De tweede kwestie van die middag was de verantwoordelijkheidsvraag. Aan wie is het om de belangrijke beslissingen rondom erfgoedbepaling te nemen? Een deel van de sprekers en aanwezigen ziet erfgoed als een persoonlijke kwestie, iets dat op maatschappelijk en particulier niveau geregeld moet worden, terwijl het andere kamp de verantwoordelijkheid bovenal bij de overheid en/of bij experts wenst te leggen. Arts is van dat eerste de meest uitsproken voorstander: voor hem is het aan de overheid om tegen elkaar in druisende meningen te stroomlijnen en zich verder afzijdig te houden in de discussies. Ook Oldenburger ziet weinig heil in beleid van bovenaf. Bazelmans daarentegen verklaart zich in reactie op Arts’ lezing geheel oneens met deze – in zijn woorden – neo-liberale visie op het functioneren van de overheid. Voor hem is het zaak dat de overheid een pro-actieve, en niet alleen een procedurele, rol vervult in erfgoedbepaling. Ook op opvoedkundig gebied – kinderen van jongs af aan leren kritisch naar erfgoed te kijken – is overheidsinterventie volgens hem noodzakelijk. Eickhoff is met zijn pleidooi voor de dekolonisatie van erfgoed eigenlijk de enige die specifiek de wetenschappelijk historicus aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid. Voor hem is een actieve rol van ‘experts’ bij erfgoedbepaling de enige manier om dit proces op een eerlijke wijze te laten verlopen.

Overeenstemming over de juiste aanpak bij erfgoedwaarde en erfgoedbepaling was er deze middag weinig – maar aangezien ‘Criteria van waarde in de geschiedbeoefening’ specifiek een debattenreeks heet was dat eerder de kracht dan de zwakte van de bijeenkomst. Unanimiteit was er onder de aanwezigen in ieder geval wel over het feit dat erfgoedwaarde een zeer complex begrip is dat reflectie verdient, en daarmee is het doel van organisatoren Riswick en Zurhake geheel geslaagd. Met dezelfde opzet, maar wellicht iets spannender stemmingen, zal ook de laatste bijeenkomst – met het thema publieksgeschiedenis – op 17 juni in Nijmegen een succes worden.

Eva Supèr

© KNHG 2020 Website: Code Clear