Gevaren, mogelijkheden en implementatie van digitaliseren (Summary Session 4)

De vierde en laatste sessie van het KNHG voorjaarscongres ‘Towards a new historiography of World War II’ had als thema de mogelijkheden en gevaren van integratie van de nieuwe media in collecties en archieven. Sprekers zijn Karel Dibbets, Charles Jeurgens en Veerle Vanden Daelen en de sessie wordt geleid door Rudi van Doorslaer. Eén van de centrale vragen van deze sessie zal zijn wat voor impact de mogelijkheden van de nieuwe media zullen hebben voor het beeld van de Tweede Wereldoorlog.

Dibbets bijt het spits af en heeft een vrij pragmatische wijze van implementatie met als kernzin ‘if you can’t beat them, join them’. Hij geeft een mooi overzicht van de nieuwe machtsverhoudingen die zijn ontstaan tussen historici en archieven en musea. Historici moeten zien mee te bewegen in een veranderde wereld waar zij moeten accepteren dat zij slechts nog een marginale positie bekleden in een veranderde wereld. Deze verschuivingen begonnen volgens Dibbets aan het eind van de vorige eeuw met de opkomst van geschiedenis en geschiedenisgerelateerde onderwerpen op televisie. De agenda van de historische verbeelding werd niet langer primair bepaald door historici, maar veelal door de populaire media. Dit effect werd nog versterkt door de recentere ontwikkelingen van de technologische revolutie met als belangrijkste de wereldwijde implementatie van internet. Musea reageerden hier gelijk op en er ontstond een nieuwe infrastructuur van kennis waarin veel werd samengewerkt met de media. Op dit punt stelt Dibbets dat historici altijd de nauwste samenwerking met archieven en musea hadden gehad, maar dat zij sinds de opkomst van het internet en de populaire media achteraan in de rij moeten sluiten. Om enige invloed te behouden moeten zij meebewegen met de nieuwe krachtvelden en machtsrelaties. Archieven en musea beginnen volgens hem ook steeds meer met elkaar te concurreren, zoals ook commerciële bedrijven dit doen. Voor historici is het cruciaal dat zij hun informatie kunnen delen, daarom zullen zij gereedschappen moeten ontwikkelen om mee te blijven spelen.

Jeurgens stelt zich in zijn presentatie de vraag wat collecties eigenlijk zijn. Collecties zijn volgens hem niet meer en niet minder dan het resultaat van registraties. Soms formeel en soms informeel bijeengebracht in een institutionele setting. Nu wij het digitale tijdperk ingaan, kunnen we inventarissen digitaliseren en collecties met elkaar verbinden, niet alleen meer van één archief, maar van een heel land of uiteindelijk misschien zelfs wereldwijd. Jeurgens vraagt zich af wat hier de implicaties van zijn. Het betekent volgens hem in ieder geval dat collecties ‘re-framed’ worden. Er wordt een nieuwe laag aangebracht op de eerder samengestelde collecties. Wanneer wij digitaal zoeken krijgen we vervolgens inventarissen, of in ieder geval delen hiervan als zoekresultaat. Een groot deel van hetgeen gevonden wordt, is al lang geleden geproduceerd en moet worden gestandaardiseerd. Wat volgens Jeurgens belangrijk is, is dat instituties niet alleen inventarissen digitaliseren, maar dat zij tegelijkertijd de taak op zich nemen om onderzoek te doen naar deze hernieuwede collecties en de link te maken en behouden naar het originele materiaal. Dit biedt volgens hem veel mogelijkheden. Hij sluit af met een parafrasering van een citaat van Jo Tollebeek: we archivists to problematize’. Iedereen kan googelen en online resultaten vinden, maar echt begrijpen en gebruiken van collecties vergt kennis en vaardigheden. Historici moeten altijd zeer kritisch blijven over hun eigen gereedschappen.

Vander Daelen vertelt voornamelijk over haar werkzaamheden bij en haar ervaringen met de European Holocaust research infrastructure (EHRI). Ook zij stelt dat historici altijd kritisch moeten blijven op hun gereedschappen en materialen die zij gebruiken om collecties te vinden. EHRI is veel meer dan een database. De collectiebeschrijven zijn gebaseerd op twee methoden: ten eerste collecties die speciaal voor EHRI zijn gecreëerd en waarvoor historici nog ‘ouderwets’ naar het archief zijn gegaan om data te verzamelen. De tweede manier is het implementeren van al bestaande collecties. Deze collecties en data zijn extreem heterogeen. Ieder archief is anders en moet ook zo gezien worden. Vander Daelen vertelt dat op deze manier al bestaande collecties opnieuw ontdekt kunnen worden. Ze geeft het voorbeeld van het Nationaal Archief in Oekraïne waar in de oorspronkelijke inventaris niets wordt gevonden als bijvoorbeeld de steekwoorden ‘jood’, ‘getto’ of ‘holocaust’worden ingetypt, terwijl de bronnen hier wel informatie over geven. EHRI maakt voor zulke gevallen een tweede inventaris, waardoor ze dus breder gevonden kunnen worden. Volgens Vander Daelen is de grootste les die historici kunnen trekken uit de digitalisering bewustwording van de methodologie en de gereedschappen die ze gebruiken. Dit geldt niet alleen voor Holocausthistorici maar tevens voor elke andere historicus. Ook zij stelt: ‘before you can study the past, you have to study the archevist’.

Na de presentaties stelt Van Doorslaer alledrie de vraag of er juist is gereageerd op de digitalisering en of die hele digitalisering niet overschat wordt. Vander Daelen stelt dat men teveel wilde met de digitaliseringen voordat dit technisch mogelijk was: ‘we wanted to run before we could walk’. Ook zouden archieven de digitaliseringen nog meer zouden moeten gebruiken en zich erop voor moeten laten staan. Op deze manier zouden ook ‘meta data’ gecontroleerd moeten kunnen worden. Ook Jeurgens zegt terugblikkende dat men er initieel van uitging dat al het archiefmateriaal wel gedigitaliseerd zou kunnen worden, maar dat dit in de werkelijkheid vies tegen blijkt te vallen: in de komende decennia kan maximaal tien procent van alle data gedigitaliseerd worden. Het is belangrijk dat het duidelijk is dat maar zo’n relatief klein deel van al het archiefmateriaal gedigitaliseerd is, want uit studentenquêtes blijkt dat de meeste vooral online naar bronnen zoeken. Dibbets is skeptisch over het vermogen van historici om collecties te produceren op een metaniveau: historici gebruiken en analyseren bronnen, dit is volgens hem een andere vaardigheid. Enkele historici ontwikkelen hun eigen gereedschappen voor het uitvoeren van een bepaald project, maar dit zou volgens hem op een veel grotere schaal moeten gebeuren.

Het laatste discussiepunt is wat de volgende stap is na EHRI. Kunnen er nu verbindingen komen naar andere zaken en is dit niet een potentieel gevaarlijke ontwikkeling? De historici in het panel denken dat het voorlopig zo’n vaart nog niet zal lopen aangezien EHRI bijvoorbeeld onmogelijk álle data over de Holocaust kan implementeren. Dit is voorlopig technisch nog niet mogelijk.

Laura de Adelhart Toorop

© KNHG 2020 Website: Code Clear